Project Trivitsjenski

In 2018 ge(her)publiceerde verhalen uit de periode tussen ca. 1976 en 1982

Auteur: Charles Warter


INHOUDSOPGAVE

Afgekeurde verhalen

De ontdekking
De verlossing
Vervreemding
Vreugde
Het Gezicht
De trek
Het kunstwerk
Opschudding
De Wens
De Twijfel
Ontwerp voor een stadsopvoering
Een Heerser

Twee gelegenheidsverhalen
(bestemd voor select publiek) Er was ongeveer een dozijn van deze verhalen, maar ze zijn bijna allemaal verloren. Deze twee waren nog wel beschikbaar:

Een klein Afscheid "een groep vrienden" of "de idealen"
Monument voor Oom Arie (geschenk aan L. G. W. Löhlefink)


Flarden (verhalenbundel)
Herziene samenstelling. (oorspronkelijke samenstelling is overigens niet meer exact bekend.)

Mijn Muze
Eenzaamheid
Het Verlies
De streekbus
Isoleer
De Rust
Het Licht
Het Woud
De Profeet
De Winter
De keuze
De Zekerheid
Drieluik
A Ik wil geen groenteman worden
B Het leven van de vrijgezelle HBS- leraar
C Het leven van een tractorbandenhandelaar is niet ondraaglijk

Enige achtergrondinformatie


AFGEKEURDE VERHALEN


De ontdekking

Toen L. op een dag zijn huis verliet en de deur zoals gewoonlijk zo voorzichtig mogelijk achter zich sloot, deed hij een merkwaardige ontdekking, die hem gedurende enkele ogenblikken van zijn doorgaans grote helderheid beroofde. Nauwelijks was hij weer van zijn verwarring bekomen of hij begon zijn omgeving nauwgezet te bestuderen. Alles kwam hem zeer vreemd voor. De winkel vier huizen verder waar hij tweemaal per week zijn inkopen placht te doen. De kerk aan het einde van de straat. Ook de juist passerende tram ervoer hij als een vreemd lichaam dat eigenlijk niet getolereerd kon worden. Plotseling greep hem een gevoel van onvermijdelijkheid aan, een grote onzekerheid, alsof hij wist dat dit niet tijdelijk kon zijn. L. verbaasde zich erover dat een eenvoudige verandering van standpunt in de ruimte zo'n vervreemding van de omgeving tot gevolg kon hebben. Het leek hem onwerkelijk en zelfs onacceptabel, nochtans week het gevoel van onvermijdelijkheid niet. Toch moest hij een bevestiging zoeken van hetgeen hem overkomen was. L. was gespannen en benieuwd naar de reacties van de voorbijgangers die hem al gedurende vier jaren ontmoetten, precies om zeven uur 's morgens. Het waren de anderen die ook zeer nauwgezet waren en zich dus iedere morgen op tijd naar hun werk begaven. L. voelde zich met hen verbonden. Dit gevoel was slechts mogelijk doordat allen bij veeleisende werkgevers in dienst waren.
Terwijl hij wachtend op het passeren van zijn lotgenoten zich naar zijn laboratorium begaf, overdacht hij de zaken ordelijk en nauwgezet. Had hij het zoeven nog niet kunnen aanvaarden dat alles zo onwerkelijk scheen, nu trachtte hij een oplossing voor de verschijnselen te vinden. Er was geen twijfel mogelijk: hij zweefde. Met een schok ontwaakte hij uit zijn overpeinzingen. Terwijl hij anders om deze tijd al enkele stipte werknemers ontmoet zou hebben, waren ze hem nu niet opgevallen. Het was hem duidelijk dat niet alleen gebouwen, wagens en andere levenloze voorwerpen niet door hem herkend werden maar tevens de mensen hem volkomen vreemd waren. Immers, op dit tijdstip liepen er velen schijnbaar zonder doel of dwang over de straten waarin L. zich reeds zovele jaren begaf, iedere morgen opnieuw. Zij onderscheidden zich echter doordat ze geen vaste tijden kenden, maar zich op willekeurige momenten op straat stortten, om het even welke dit nu was. Ditmaal waren de vaste werkgangers niet opgevallen tussen de wisselende massa. Nadat L. al deze zaken in zichzelf had overlegd stoorden de veranderingen hem niet meer. Alleen was het hem licht onaangenaam dat hij op deze wijze onmogelijk zekerheid kon krijgen over zijn verandering van plaats in de ruimte. Dan kwam L. tot de conclusie dat ook anderen wellicht verbaasd zouden zijn geweest indien er aan hem iets zichtbaar zou zijn dat afweek van het gewone. Nu was er nog steeds weinig begrijpelijk geworden. Voortdurend kwelde hem nu de vraag wat er dan gebeurd kon zijn. Hij wierp een blik op zijn schoeisel. Het was zorgvuldig onderhouden en, wat belangrijker was, het stond zonder meer in contact met het plaveisel op momenten dat hij zijn voet, hetzij linker hetzij rechter, neerplantte onder het gaan. Even verheugde het hem dat er lichamelijk blijkbaar niets ongebruikelijks was gebeurt, maar het was een matte vreugde. De buitenwereld kon dan weliswaar niets, of nòg niets aan hem bemerken, hijzelf werd daarentegen des te meer gekweld door het feit dat hij mogelijk aan waanideeën leed, wat hem niet alleen van zijn omgeving, maar ook van zichzelf vervreemden zou. Voor hem doemde de straathoek op en nu werd hij geconfronteerd met een praktisch probleem, want hoe kon hij weten welke route hij moest nemen nu het scheen alsof de afgelopen nacht de hele stad verbouwd was? L. glimlachte toen hij besefte dat zijn gevoel voor richting niet gestoord was. Terwijl hij verder liep bekeek hij nog eens aandachtig zijn schoenen. Ze waren wat zwaarder en steviger dan gebruikelijk daar hij reeds als kind zwakke beenderen had gehad. Daardoor verzekerden ze hem wel met een innig contact met de stenen.
Hoofdschuddend liep hij verder maar stopte plotseling de beweging van zijn hoofd. Hij kon zich niet aan de indruk onttrekken dat de beweging invloed had op zijn gedachten en werd zich gewaar van hùn beweging. De hoek met de richting van hun ontstaan wijzigde zich, werd groter en kleiner, zonder dat zij zelf echter van inhoud veranderden.
Opeens wist hij alle vreemde verschijnselen te verklaren. Zijn eigen wezen zweefde boven zijn lichaam uit en het scheen alsof ook zijn zintuigen zich op een veel hoger niveau bevonden hoewel bij betasten alles normaal aanvoelde. L. merkte dat de geluiden tot hem kwamen op een plaats vlak boven zijn schedel. Zijn oogbollen rustten op zijn haren. De frisse herfstlucht die het begin van de winter reeds inluidde stak hem slechts in het voorhoofd, en gaf haar geur ook op die plaats af. . . .
Toen dit alles tot L. was doorgedrongen keerde hij zich snel om, zuchtte licht en ging opgewekt naar huis terug want hij voelde zich bevrijd.


De verlossing

L. zakte terug in zijn stoel. Het zachte pluche omgaf hem, maakte hem warm en deed voor een moment de naald van angst uit zijn borst verdwijnen. Een naald die daar al maanden zat. De muur voor hem begon te vervagen. Nu durfde hij zich te laten gaan, te reizen, te dromen. De schilderijen gingen over in de gekleurde wand. Er vormden zich slingers van groen. Vennen verschenen, paden en rietvelden werden zichtbaar. Het pad dat hij vier jaar geleden was kwijtgeraakt zag hij nu duidelijk. L. was dankbaar dat hij het tenminste nog mocht zien, zodat hij precies wist wàt hij had verloren. Alles werd warm en gelukkig toen hij eraan dacht hoe ze hier hadden gelopen, als zuivere geesten. Het paradijs zo ongebonden en gelukkig dat geen vergelijking mogelijk was. De lange groene slingers streelden hem als wilden ze het verlies verzachten en hem zeggen dat ze ondanks alles toch van hem hielden. Temidden van dit geluk besefte L. dat dit nooit meer werkelijkheid zou worden omdat het voorbij was. Hij was een verlorene, een afvallige gebleken en zijn straf was gevolgd. Nooit had hij de vraag van het “waarom” mogen stellen, want op dat moment was hij teruggesmakt in de koude wereld zonder enig geluk.
Langzaam vervaagden de beelden. De muur was er weer, maar de naald bleef nog even weg. L. danste, maar wist toch niet hoe hij zijn geluk voldoende kon tonen. Hij wilde naar een kerk.
De deur knarste en L. stond op straat. De blauwe klinkers waren glimmend en nat. Het was bijzonder mistig. De lantaarns droegen lichtende bollen. Na enige tijd lopen kwam hij bij een oude plek in de stad die voor hem veel betekende. Een oud pand dat nog bewoond werd en een paar rommelwinkeltjes. De laatsten droegen in fraaie oude letters het woord "antiek" op de ruiten. Het was zó mistig dat alleen dit plekje zichtbaar was en niets eromheen. L. dacht aan zijn ervaring van zoëven. De invloed was zo sterk dat hij zijn herinneringen ook hier nog heel intens kon ervaren. De angst was weg. morgen zou zeer weer zijn, dat wist hij zeker, maar nu nog niet. L. voelde zich diep gelukkig en dankbaar.
Vier maanden! Het kon ook altijd al zo geweest zijn. Wat maakte het uit? sinds de ontdekking dat hij boven zichzelf zweefde was de angst er geweest. Eigenlijk niet op hetzelfde moment, maar vlak erna. Het bevrijdende gevoel, dat hem losmaakte had kort geduurd. Het zweven was plotseling opgehouden, alles was normaal geweest, maar juist toén had hij beseft dat er iets was veranderd, dat hij niet normáál was. Op dat moment had hij een snerpende steek in zijn borst gevoeld. Nee, zijn hart was gezond. maar zijn geest zeker niet en dit was een symptoom.
Het was de dag geweest waarop hij bij het laboratorium ging werken. De opleiding was voltooid. Voortaan zou hij zelf de verantwoordelijkheid dragen voor zijn vernietigende arbeid: het negeren van natuurwetten. Niemand kon de een dergelijke verantwoording dragen als hij zich bewust was van de diepste betekenis van zijn handelen. Zelf had hij geweten wat hij deed, maar was ondanks dat besef doorgegaan. Toch lag De kern van zijn ongeluk dieper. Reeds in zijn jeugd was het fout gegaan. Eigenlijk op het moment dat hij de vraag naar het “waarom” stelde.


Vervreemding

Traag drupte de regen neer. De plassen maakten een pinkelend geluid, zacht en rustgevend. Hij trok de kraag van zijn jas verder omhoog en liep snel door. Er waren geen mensen te bekennen maar het was ook al nacht. Bovendien was de streek meestal uitgestorven, op een oude boer na hier en daar. Het gele licht van de straatlantaarns tastte hem af steeds opnieuw, en hij liet het zwijgend toe. Het wegdek glinsterde sterk toen er een bliksemschicht door de hemel vloog. Enige doffe knallen volgden. Ze behoorden bij het landschap, zo vatte iedereen die hier woonde het op. Niemand zou het dreigende kunnen missen wat van de natuur in deze streek uitging. Weer lichtte de hemel op en L zag een grote fabriek voor zich. Olieketels, buizen, kantoren, destillatiekolommen en rookwolken, Of was het stoom? Hij besefte dat hij nog nooit zo iets moois en overweldigends had gezien. Tot op heden had hij nooit enige schoonheid in de techniek kunnen ontdekken en nu in een flits doemde dit beeld voor hem op. "Hoe is het mogelijk", mompelde L. Hij liep door en naderde de wijk waar hij zijn moest. Het huis waar hij zijn naar toeging paste in de omgeving, Zelden was er zo'n somber huis gebouwd. Het scheen alsof het constant iets vreselijks wilde voorspellen, dat zich reeds had aangekondigd. Vaag was de maan zichtbaar. Ze bestrooide het huis met een grauw licht. L. bleef staan en keek naar binnen door het raam. In een rossig schijnsel waren twee personen zichtbaar. Het viel L. op dat het meubilair blijkbaar niet zo nieuw was als hij altijd had verondersteld. Vele mankementen waren zichtbaar. De bel gaf een dof geluid alsof er kleden over geworpen waren. De deur ging open en er verscheen een gezicht. Voordat de persoon iets had kunnen zeggen riep L. uit: "Maar. . ik meen dat van Enden hier woont, wie bent U?
"Wat bedoel je," was het antwoord, "kom nou binnen."
"Maar wie bent U dan," herhaalde L. Bewegingloos bleef hij staan.
"Leid je aan geheugenverlies," zei de persoon terwijl hij L. aankeek.
"Je woont hier je hele leven en op een dag doe je alsof je ons niet herkent".
"Wel," antwoordde L. "ik woon voor zover mij bekend is mijn hele leven bij mijn pleegouders, en wie bent ú dan wel, ik ken u niet."
L. sprak de waarheid hij kende de man achter de deur niet evenmin als de vrouw binnen. Onverwacht bezoek misschien? Onverwacht zéker, want anders was hem vanmorgen bij het eten ongetwijfeld verteld wie er zouden komen. Plotseling drongen de gesproken woorden tot hem door en een geweldige angst greep hem aan. Nochtans bleef hij rustig en overdacht de betekenis. De zin 'Je woont je hele leven bij ons’ was duidelijk en hàd maar een betekenis.
Met wat zwakkere stem zei hij: "Ik ben L. en ik wilde weten of mijn pleegouders thuis zijn."
Nu ga je te ver", was het antwoord, "kom naar binnen."
Het is zeker geen familie van ze dacht L. toen hij bij binnenkomst ook de vrouw nauwkeuriger bekeek. Vervolgens schrok hij op uit zijn overpeinzingen, want de voornaam waarmee de man de vrouw aansprak was dezelfde als die van zijn moeder. Dit had op zich niet zo opvallend hoeven te zijn als de naam niet zo zeldzaam was geweest.
Komen ze straks thuis?" vroeg L. hardop.
"Wie?" was de reactie.
Mijn ouders," snauwde L. geërgerd en voegde er dadelijk aan toe: "Ik neem tenminste aan dat U hen kent."
De man lachte, maar de vrouw zei treurig: "Jongen wat is er nou toch, je woont drieëntwintig jaar bij ons en op een avond herken je ons zeker niet meer. "
Zoiets zei uw man - ik neem aan dat het uw man is - zojuist ook", zei L. "maar U wilt toch niet beweren dat u mijn ouders bent. Of liever gezegd mijn pleegouders.
"Toch wel," antwoordde de man kalm.
"Welk jaar is het hier," vroeg L. "en welke datum en waar woon ik hier?
Zuchtend schudde de vrouw haar hoofd terwijl haar man de gegevens opnoemde voor L. Deze waren overigens in overeenstemming met L. ’s gedachten.
"Dat is juist," mompelde hij en zei terwijl hij een map uit zijn colbert nam: "U lijkt echter geen van beiden op mijn ouders, ik zal U de foto's tonen."
Het vakje was volkomen leeg hoewel de foto's er vanmorgen nog ingezeten hadden. Er was nu geen bewijsmateriaal. Dan liep hij op de kast af en greep het fotoalbum. Toen hij het opensloeg staarde hij tegen volkomen onbekenden aan. Stuk voor stuk waren de foto’s ondertiteld met namen uit zijn familie en zelfs een kras die er volgens hem al tijd al had gezeten was op dezelfde plaats aanwezig.
Aangezien hij er nu van overtuigd was dat het om een oververmoeidheid of influenza ging, begaf hij zich naar zijn kamer. Alles was normaal behalve het portret van zijn zus dat altijd aan de muur had gehangen. Het zou voor L.nu aanvaardbaar zijn geweest als ook deze tekening was veranderd in zijn ogen, maar ze was verdwenen. Naar het behang te oordelen had er zelfs nooit een portret gehangen. L. liep de huiskamer weer in en informeerde ernaar. Zoals hij reeds had gevreesd kreeg hij te horen dat hij nooit een zus had gehad. Even later lag hij vermoeid op bed.

De volgende morgen ontwaakte L. en herinnerde zich meteen het voorval van gisteren. Toen hij de kamer inging trof hij die leeg aan. Na een blik op zijn horloge kwam hij tot de slotsom dat dit ongebruikelijk was. Voor zover hij zich kon herinneren, was er ’s morgens namelijk altijd iemand aanwezig. Om zich nogmaals te oriënteren keek hij naar de kalender en wilde vervolgens de telefoongids grijpen. Met een schok stond hij stil en keek door het raam naar buiten. De bomen waren verdwenen, op hun plaats stonden enkel huizen. Voorts was het grasland overgegaan in een onafzienbare zandvlakte. De huizen waren onbewoond. L. was er van overtuigd dat ze er de vorige dag niet hadden gestaan.
L. draaide zich om en ging naar zijn kamer. Zonder bedenken opende hij zijn boekenkast. Deze was leeg maar dat verbaasde L. niet. Ik had een papieren geest, dacht hij, want ineens wist hij zeker dat al zijn boeken waren vernietigd en dat met deze boeken ook zijn oude geest verloren was gegaan.
Glimlachend begaf hij zich naar zijn werk.


Vreugde

Soms verwijt men mij dat ik somber ben, en voegt mij toe: "Ach jij, jij herinnert er slechts aan dat de mens niet almachtig is. Een blik op jou geworpen is voldoende om te huilen, te schreeuwen, of in het klooster te treden.
Toch zijn deze opmerkingen onjuist hoewel ik het niet kan bewijzen. Ik ben gelukkig maar bezit een ander geluk dan zij. Mijn geluk is rood als goede wijn. Het is bijna zwart en zo zwaar als nectar. Het gele en blauwe geluk van anderen is voor mij te koud te schel. Slechts mijn oren worden erdoor gepijnigd en de lust om mens te zijn wordt me erdoor ontnomen.
Vrienden gaan. Zij sterven, verhuizen, of verlaten mij hoewel zij bij mij blijven. Zo verlies ik langzaam alle contact. Maar ik verbaas me er niet over. Al deze vrienden lachen hun problemen weg en vervreemden van mij. Degenen die sterven hebben ingezien wat de betekenis van de wereld voor hen is. Zij aanvaardden alles zonder dat het hun raakte, wachtend op het moment dat zij bevrijd zouden worden. Zo wacht ook ik en sluit mij verder af.
De wereld bestaat en verteert zichzelf. Brandend gaat ze in haar eigen gruwelen ten onder. Zoals ook eens de zon in vlammen is opgegaan. Men ziet niet wat komen gaat. Zoeken en wachten, meer wil ík niet doen. Eenzaamheid of verdriet ken ik niet meer, want de handelingen waar zij uit voortkomen heb ik reeds lange tijd afgezworen. Alle handelen heb ik van mij afgezet. Slechts het bestaan, het zijn is het enige wat me terneerdrukt. Ook van deze dwang zal ik mij bevrijden. Vooreerst wacht ik nog en drijf in mijn gevoelen. Het is niet meer als vroeger. Slechts een gevoel als fluweel, pijnloos, zacht, maar daarom niet minder klemmend.
Stille aanvaarding en geen intensief leven meer. Men verwijt mij dat. Doch ik aanschouw schoonheid, ieder moment. Tot ik de dood zal vinden en eeuwig afstand zal doen van het bepaalde. Van alles dat gebonden is en dat bindt. Leven is de afwezigheid van dood, nog even geduld.
Vele van mijn vroegere vrienden feesten nu. Zij kunnen niet anders meer nu de dood hen aanstaart. Steeds heftiger en woester moeten zij met het leven meedansen om alles wat komen gaat van zich af te zetten. Zij schiepen een angst door hun mateloos onbezorgd leven. En ik? Ach, ik ben nu eenmaal geen genieter maar een duistere zoeker.


Het Gezicht

Op een bankje tussen de lage bomen zat een man. Hij keek dromerig voor zich uit zonder veel van zijn omgeving te zien. Voor hem waren de lage doornige planten van het struikgewas. Achter hem iets onbekends omdat hij de gehele tijd niet naar die kant had durven kijken. Zijn gehele jeugd sprong verward voor zijn ogen langs. Onzekerheid over de toekomst deed het verleden mooi en helder schijnen. Volledig alsof het een te volgen weg was geweest. Ineens besefte hij dat hij ergens zat en dat hij leefde, terwijl er niets gebeurde. verbazing kwam op. Het was onbegrijpelijk dat een mens kon leven zonder iets te doen. Leefde hij wel? Zijn werk was een routine. Toch wist hij zich op dit moment niet te herinneren wat hij deed, en waarom hij hier nu zat.
Scherpe dissonante tonen weerklonken in zijn oren. Er rezen betonnen zuilen op uit de grond. Waren ze er al of groeiden ze werkelijk? Wat maakte het uit. Zijn gehele verleden viel als een pantser van hem af en hij verloor daarmee ook zijn gehele persoonlijkheid. Hij was nu niemand meer. Een vijfendertigjarig kind in een betonbos. Verbaasd keek hij rond. Volledig geheugenverlies was ingetreden.
Opeens verschenen er volkomen nieuwe herinneringen. Nieuwe gedachten kwamen aandrijven alsof ze een geschenk waren van een onbekende macht. De betonstaven voor hem waren tientallen meters dik, en vele malen zo hoog. Vermoedelijk waren het verlaten flats. De lucht was donker en op sommige plaatsen schitterden sterren. Hun levensduur was echter zeer kort want ieder moment doofden er uit en tegelijk waren er op andere plaatsen lichtexplosies. Enkelen doolden langs de hemel of vielen achter de horizont. De man stond op. Naast hem liep een meisje, een vriendin van vroeger waar hij al jaren niet meer aan dacht. Hand in hand gingen ze voort. Een taal sprekend die op het geluid van een klokkenspel leek. Betekenis bestond blijkbaar niet want hoewel hij de taal zelf sprak begreep hij niet wat hij zei. Het was echter overweldigend om de geluiden voort te brengen en op te vangen. Een hevige wind stak op en door de lucht verspreidde zich een rood schijnsel. De grond verbleekte, de betonstaven losten op, in het rode licht. Hij stond weer alleen. Het heldere pinkelende geluid was er nog steeds maar het was de stem van zijn vriendin niet meer. De waterdruppels die in een bos achter hem neervielen van de bladeren zongen hem nu toe. Om hem heen was nu een schemering. Langzaam verdween de verblinding en drongen de gebeurtenissen tot hem door. Hij stond in een dorpje waar hij lange tijd had gewoond. Het was winter, In de vallei speelden kinderen met sleetjes. Zwak staalde er nog licht over hen heen. Aan de ene kant was het kerk je zichtbaar. Hij kon het zich nog goed herinneren. De grauwe muren staken af tegen het wit besneeuwde dak. Binnen waren de lichten blijkbaar ontstoken want een warm gelig licht straalde uit over de omringende sneeuwvlakte. Was het zondag? Of een feestdag?
Kerst, dat was goed mogelijk. Ondanks zijn dunne kleding en de snijdende koude voelde hij zich zeer behaaglijk. Waar was dit geluk gebleven? Wat was er van hem geworden? Al deze dingen kon hij echter op dit moment niet weten, en hij was er blij om. Geen enkele last verdrukte de beleving van de schoonheid om hem heen. Zelfs van zijn kennis was hij bevrijd. Hij was volledig onwetend, een kind gelijk. Het fijne zwevende geluid achter hem hield aan. Na enige tijd kon hij zich niet meer bedwingen en draaide zich om. Even schrok hij. Voor hem was een wijk met nieuwe huizen en flats. Geronk van automotoren was in de verte hoorbaar. Voor zijn voeten was een parkbankje. Nogmaals draaide hij zich om en stond tegenover het struikgewas. De dag was nog niet ver gevorderd. Het landschap baadde in een onecht licht. Donkere wolken dreven voor de zon langs. Vermoedelijk ging het onweren. Hier en daar vielen regendruppels. De man liep door. Hij kon niet zomaar van zijn gezin wegblijven terwijl hij wist dat ze op hem wachtten, zoals iedere zondagmiddag. In de verte luidden kerkklokken. Het visioen had hem tot leven gebracht. Hij wílde weer leven. Langzaam liep hij het tuinpad op.


De trek

Alles was in diepe rust verzonken. De gebouwen, de gehele stad had zich aangepast aan de nacht. De straten waren nagenoeg geheel verlaten. Het was nieuwe maan en er hing een dichte mist zodat de mensen die om deze tijd toch hier en daar over straat gingen, nauwelijks een ander levend wezen te zien kregen. Na enige tijd kon men twee menselijke gestalten ontwaren die zich door een buitenwijk voortbewogen. Beiden licht voorovergebogen alsof een zware last op hen drukte. Mogelijk bespraken zij een zware taak die ze uit moesten voeren. Helaas ging het grootste gedeelte van hun gesprek verloren door de weersomstandigheden die het geluid sterk hinderden. Ook was er nauwelijks méér te onderscheiden dan hun contouren. Vaag weerklonken enige tijd na elkaar twee woorden die een aanwijzing konden geven om trend de aard van hun gesprek: “Leeftijd” en “toekomst”. . . .
Ze hielden geen moment halt hoewel ze bijna niet vorderden en geen aanstalten maakten om hun pas te versnellen. Na enige tijd naderde echter het einde van de weg. De glanzende nevelbollen die voor hen opdoemden waren kenmerkend voor de lantarens van de Hoofdweg. Hun silhouetten tekenden zich steeds duidelijker af. Uiteindelijk bevonden ze zich op de hoofdweg. Nu waren hun gezichten herkenbaar in het felle licht. Het was zelfs duidelijk wat voor gesprek ze voerden. De emoties waren van hun gezichten te lezen. De een depressief, de ander wanhopig, verbeten. Mogelijk vreesden zij de toekomst.
Zwijgend liepen ze enige tijd voort. Alleen hun stappen waren hoorbaar. Dan begon de linker van hen het gesprek weer. Hij zag er nog steeds terneergeslagen uit.
"Hadden we maar een zekerheid", bracht hij moeizaam uit.
"Ja", antwoordde de ander," dat is een irreële eis. Zekerheden bestaan niet. Het leven gaat voort wij kiezen en maken fouten. In feite zijn we zelf verantwoordelijk voor onze situatie."
"Ach, "wierp hij tegen, "hoe kunnen we verantwoordelijk zijn voor zaken en handelingen waarvan we de betekenis niet weten? Er moet een vast punt zijn waar we ons op kunnen oriënteren, ik ben er zeker van".
Na deze woorden scheen het dat hij zijn laatste hoop liet varen, want hij zakte neer op een paar balken en stenen die naast hem lagen. Zijn metgezel, wiens gelaatstrekken nog steeds een stille wanhoop, uitdrukten, zette zich naast hem. Het leek alsof hij wachtte. Toen sprak hij plotseling zeer luid: "Als je er zo over denkt zou er een aanwijzing moeten zijn. Een teken, ergens. "
Langzaam schoof een grijs stekelig dier uit het gras naast de weg. De twee wandelaars wendden hun hoofd naar de plaats van het geritsel. Ze zagen hoe een egel zich op de weg begaf en dan zo snel als in zijn vermogen lag overstak. De stekels glansden in het licht. Het dier bleef aan de overkant wachten alvorens in de struiken te verdwijnen. De twee sprongen tegelijk op, liepen naar het dier toe en strekten hun handen ernaar uit. Merkwaardig genoeg rolde het zich niet op. De laatste spreker mompelde: "Toeval " en streek langzaam over het ruwe rugje. In de verte sloeg de torenklok.
"Het is een symbool voor ons leven", sprak de ander zacht en voor de eerste maal glimlachte hij, maar niet uit vreugde. Er was een zeker fatalisme in zijn ogen te herkennen.
Een sterk gesuis en geritsel was hoorbaar. Het leek een sterke wind, maar de bomen en struiken stonden nog even roerloos met hun vochtige bladeren in het gele licht. De geluiden waren afkomstig uit het hoge gras aan de overkant. Een stroom van egels maakte zich los uit de begroeiing en rende de weg over. Tientallen kwamen er tevoorschijn. De gehele groep passeerde het eerste exemplaar dat nog steeds vlak op de grond lag. Het was een zeldzaam natuurverschijnsel. Een onmogelijkheid, zeker in een stadswijk als deze.
De twee mannen stonden zonder ook maar iets te doen en lieten de dieren passeren. Een van beiden begon weer te lopen. Hij was verbaasd. Zoiets als wat hij zojuist had gezien was niet mogelijk, kwam niet voor. Hij greep naar zijn sigaretten. Daarbij stootte hij op een rond klein doosje. Hij had een kompas bij zich. Zonder het te raadplegen besefte hij met een schok dat de dieren allemaal naar het noorden waren vertrokken. Blijkbaar zonder reden en toch allen in precies dezelfde richting. Bij nameten was er geen twijfel meer mogelijk. Zuiver noord!
Voor een huis in een brede straat stond een man. Hij opende de deur voor hem en ging naar binnen. Het was een van beide wandelaars. Bij de splitsing waren ze ieder naar hun eigen woning gegaan. Nadrukkelijk had hij afgesproken over het vreemde verschijnsel na te zullen denken. tot duidelijk zou worden wat het betekende. Zijn eerste handeling was dan ook het raadplegen van een oud geschrift dat voor hem veel betekende. Het bestond uit een aantal losse beschreven vellen. Vermoedelijk was het een kopie van een veel ouder werk. Elk vel droeg een duistere tekst die velen in onzekerheid gelaten zou hebben. Ingewijden begrepen de betekenis echter. Hij blies het stof van de map en begon met enkele rituele gebruiken die hij door en door kende. Na afloop sloeg hij een passage op en las. "Leeftijd," luidde de tekst en daaronder stond nog een korte toelichting: "Mijd in deze jaren het noorden"
Een aarzelend geluk verzachtte zijn gelaat. Het boek werd weer in de opening tussen de vele folianten geschoven. De man legde zich op zijn bed en sliep vredig in.


Het kunstwerk.

De kunstenaar zat stil in zijn kamer. Hij tuurde voor zich uit. Tijdenlang had hij niets kunnen maken. Zijn inspiratie was verdwenen. Moeilijkheden‚ niets dan moeilijkheden waren er de laatste tijd. Zelfs een eenvoudig schetsje was te zwaar voor hem. Om tot schilderen te komen was een wil nodig en die had hij niet meer.
Naast hem lag een buitengewoon boek over de psychoanalyse van Freud. Een deel ervan had hij gelezen maar het was hem tegengevallen. De grote helderheid‚ de oplossing die hij had verwacht, was er niet. Waarom kon hij niets meer?
De schilder pakte het boek op het had een zwart gemarmerde kaft en een linnen rug. Binnenin zaten vergeelde ruwe bladzijden waarop, in een vreemde, taal gedachten te lezen waren. Gedachten die iemand anders reeds lang geleden op papier had vastgelegd. Zover was het met hem gekomen: gedachten van iemand anders gebruiken in plaats van eigen ideeën aan de mensen te geven. Wat deed het er echter nog toe?
Loom sloeg hij het boek open en keek naar de letters. Zijn blik gleed over een zin, over een passage en dan over de hele bladzijde. Wat hier stond was interessant. In tegenstelling tot het eerder gelezene was dit iets dat hij kon gebruiken. Een nieuw kunstwerk verrees in zijn gedachten. Een monument voor een onderzoeker zoals dit zijn moest. Hij zou iets nieuws iets geheel oorspronkelijks scheppen. Eindelijk vond hij zijn taak.
Onderin zijn kist met materialen vond hij lijm. Die was voor een hecht verband nodig. Alle onderdelen moesten stevig gebonden worden. Peinzend schroefde hij het deksel van het potje en deed de inhoud in een pannetje dat hij uit de kast had genomen. De vraag was nu hoeveel water hij moest nemen. Hier was een probleem opgedoken dat hij totaal over het hoofd had gezien. Moest het een symbolische hoeveelheid zijn? Of een vaststaand getal wat hij op kon zoeken? Na enige tijd besloot hij de normale verhoudingen te nemen om een zo hecht mogelijke kombinatie te krijgen.
De lijm was bruikbaar geworden. De schilder stond op en keek rond. Het begin was er maar eigenlijk had hij nog niets gedaan dat afweek van zijn gewone werk. Toch was ook dit van wezenlijk belang. Vervolgens moest nu het boek weer tevoorschijn komen. Het lag nog op de oude plaats. Hij greep het en zocht de passage op die hem zo geboeid had. Er was geen andere mogelijkheid dan de pagina’s eruit te scheuren. Kopiëren, op welke wijze dan ook, was uitgesloten. Het zou afbreuk doen aan de kracht die van het boek uitging. Dit zou weer tot ernstige verzwaring van het werk leiden. Wat maakten die paar bladzijden uit? Het boek was zijn eigendom niet maar het moest opgeofferd worden aan zo'n edel doel. Trouwens‚ als het werk voltooid was zou hij zeker ruimschoot in staat gesteld worden de eigenaar een nieuw exemplaar te geven. Nu was het echter niet het juiste ogenblik om daarover te denken. De bladzijden die hij nodig had scheurde hij er met een ruk uit.
Het waren er zes. Beter had hij het zich niet kunnen wensen. Rood, dacht hij. Alle kleuren rood. Driftig trok hij alle tubes rode plakkaatverf die hij bezat tevoorschijn. Door zijn lamlendige gedrag van de laatste tijd waren ze slecht verzorgd en grotendeels uitgedroogd. De harde brokken gooide hij zó in de pruttelende papier-maché. Dan werden ook de goede tubes erin geleegd. Met een schok keek hij weer naar het boek. Hoe was het mogelijk dat hij dat bijna kon vergeten? Met zijn rechterhand die eruit zag alsof hij zich verscheidene malen had gesneden, greep hij de foto. Ook die werd eruit gehaald en in de brij geworpen. Langzaam verwaterde het ernstige gezicht en werd één met de tekst.
Het laatste en belangrijkste kwam nu. De papierbrij die nu nog niets voorstelde moest tot leven gebracht worden. Maar op welke manier? waarmee? Na enig nadenken was hij ervan overtuigd dat hij het beste een van zijn vroegere werken toe kon voegen. Zijn blik gleed over de wand en bleef steken bij een niet al te grote afbeelding. Het was een aquarel uit zijn betere periode. Misschien wel het mooiste wat hij ooit gemaakt had. Met twee stappen stond hij ervoor en rukte de lijst zo ruw van de muur dat de spijker wegvloog. Misschien was dit wel het grootste offer. Eigenlijk was het dat zonder méér. Zijn beste en mooiste werk! Langzaam verweekten de gekleurde delen.
Met een grote kwast streek hij alles uit op een karton. Binnenkort zou hij een expositie opzetten met alleen dit kunstwerk. Iedereen zou met stomme verbazing toezien. De mensen zouden zich verdringen om er even een blik op te mogen werpen. Het moest alleen nog even afkoelen. Hij ging de kelder in en legde het op de tafel. Bijna dansend liep, hij de trap weer op en ging de kamer in.


Opschudding

Op een dag is er een grote opschudding in de stad. Mensen drommen samen. Er is een ruzie een protest of wat dan ook gaande. Op de achtergrond is een spreekgestoelte zichtbaar. Bij nader onderzoek blijkt dat er een botsing tussen twee groepen openbaar wordt uitgevochten. Het is echter niet duidelijk waar de onenigheid op gebaseerd is. Wat echter bijzonder opvalt, is dat de leden van de groep, die over het algemeen tamelijk jong zijn, allen onberispelijk gekleed zijn. Lange zwarte jassen, kostuums, glanzend gepoetste schoenen.
Het spreekgestoelte wordt betreden door een man met een bijzonder ernstige blik in zijn ogen. Hij rangschikt de plooien in de zijden shawl om zijn hals opnieuw en schakelt een versterker in.
“Geëerd publiek,” hoort men hem vervolgens zeggen.
Dan spreekt hij over de zogenaamde estheten - een groepering die enige jaren terug ontstond. De leden van de beweging waren stuk voor stuk mensen die zochten naar het absoluut schone. Zij stelden hun hele leven in op dit zoeken. Na enige jaren ontdekten enkelen van hen dat het ten enen male onmogelijk was de absolute schoonheid te vinden. Niettemin bleven ze zoeken.
Op dit punt gekomen irriteert de spreker blijkbaar mensen uit het publiek. Dit mag tenminste worden geconcludeerd uit het feit dat sommigen tomaten, appels en ander fruit werpen. Er volgt een treffer. Een tomaat besmeurt het ernstige gezicht van de jongeman achter de microfoon. Er volgt geen enkele emotionele uitbarsting van zijn kant. Kalm veegt hij de verontreiniging van zijn kleding en gelaat en wil verder spreken. Dit wordt echter verhinderd door het luide geschreeuw. Om toch zijn rede te kunnen vervolgen, voert hij het volume van de versterker dermate hoog op dat de menigte op zijn woorden resoneert.
De verdere informatie leert ons hoe de nieuwe groep van pessimistische estheten het zoeken voortzet in de overtuiging dat het zinloos is. Een flesje suist op enige meters afstand langs de spreker heen, gevolgd door een tweede dat hij ontwijkt door beheerst het hoofd af te wensen. ijlings wordt een glazen scherm aangedragen - waarschijnlijk kogelbestendig - en voor de microfoon aan de katheder bevestigd.
"Wat zien wij echter geschieden", klinkt het uit de luidsprekers. De redevoering gaat verder. In dit gedeelte wordt helder uiteengezet dat op een bepaald moment de optimistische estheten de pessimistische verwijten beginnen te maken.
"Hoogst merkwaardig," meent de jongeman die nu achter het glazen scherm zichtbaar is.
Een appel spat op het glazen scherm uiteen en een fles slaat een grote ster in het glas. Er is zelfs een schot te horen. De onenigheid moet groot zijn! Onverstoord blijven de heldere volzinnen door de ruimte schallen. Het wordt ons volkomen duidelijk dat de eerder genoemde lopende twist
uit deze feiten is voorgekomen. Ze zal voortduren omdat geen van beide standpunten verifieerbaar is. Bovendien zijn de ideeën van de afzonderlijke groepen niet in tegenspraak met de doelstellingen van de moedergroep.
De laatste woorden van het betoog luiden: "Wij menen ons echter af te mogen vragen, of de schoonheid gevonden kan worden door het werpen van fruit en flessen. Waarbij het dan niet van belang is of men ervan uit gaat dat de schoonheid al dan niet vindbaar zou zijn. Op grond van deze gedachte menen wij ons terug te moeten trekken uit de groep der estheten"
Als de versterker uitgeschakeld wordt, kalmeert het gehoor nagenoeg direct. Kleine groepen verwijderen zich dansend onder het uiten van welluidende klanken. Er schijnt rust en vrede te heersen. De spreker beweegt zich waardig voort om vervolgens een stomerij binnen te gaan.

13-9-'77


De Wens

Het was koud in de keuken. De vettige handdoek droogde nauwelijks af zodat zijn natte huid hem deed rillen. De oude kraan bleef met een klein straaltje doorlopen. Langzaam slofte hij door de gang. Vaag kwam zijn bewustzijn weer op. Hij was dronken geweest. Wat deed het ertoe, een dronken hoogleraar?
Hij was toch ook een mens? Ellende trof hèm net zo erg als ieder ander. Langzaam daalde de naald op de gekraste plaat. Het leek alsof hij jaren in de tijd was teruggeplaatst. Dat was nagenoeg dezelfde situatie. Enkele verschillen waren er wel: toen kende hij zijn vrouw nog niet; nu liet ze hem in de steek. Vroeger had hij gedàcht dat hij doodging; nu zou het werkelijk gebeuren. Hij lachte hard door de krakerige muziek heen en wreef zijn handen achteloos af aan de handdoek. Ze werden weer nat.
Wáárom had hij de schaal van Farber gekozen? Waarom niet van Eijk? Waarom? Allemaal zinloze vragen. Zijn leven zou nu onder geen voorwaarde beëindigd worden. Hij was niet voldoende gemotiveerd. En dat alleen omdat er bij punt 5DIII "ja" had moeten staan. Wanneer iemand in een supermarkt het verkeerde artikel neemt, kan hij het ruilen. Een student kan een tentamen overdoen. Alleen hij was veróórdeeld tot leven. De computer had hem gemotiveerd bevonden. Waarom geen ander type test? Was de kans op verschillende uitkomsten dan zo groot? Het interesseerde hem niet meer.
De plaat was afgelopen. Er lagen nog twee andere op de grond. Van wie waren ze? Van wie was dit huis, deze vuilnishoop? Een kater, hoofdpijn, belachelijk dat men daarover klagen kon. Iemand die dat beweerde wist niet wat echte pijn was. Trouwens het maakt uit of het door jezelf veroorzaakt is. Of misschien ook niet? Wat kon er nog gedaan worden?
De studenten zaten al in de banken, wachtend op zijn college, en hij zou dood gaan. Toch wachtten ze, vijfenveertig minuten, dan zouden ze de zaal verlaten. Afhankelijk van de situatie wachtte men een uur, een jaar, tien jaar. Vroeg of laat zou iedereen verdwijnen. Eenzaamheid. Iedereen sterft voor zich. Je moest er alleen bij weg kunnen lopen als je doodging.
Hij verstrakte even toen hij besefte wat dood in zijn eigen vak betekende. Duizenden malen had hij beslissingen mogen nemen, móeten nemen. Het loon ervoor was nu zelf door een computer getroffen te worden. Gedoemd tot leven - en wat voor leven!
Onder het aanrecht moest nog een fles whisky staan. Het knopje van de kast was afgebroken. Dan maar met een mes. Als een stralend heiligenbeeld stond de fles er. Genadiger dan zijn collega's, maar ook minder definitief. Wankelend begaf hij zich naar de trap en ging naar boven. Er waren slechts dertien treden in tegenstelling tot de tweehonderdeenenvijftig die hij gisteren had geteld. Vanuit het zolderraam was de grote fabriek te zien waar hij had gewerkt vóór zijn opleiding voltooid was. Geld om hogerop te komen. Heel in de verte lag zijn huis. Jarenlang voor een huis werken om er misschien in te kunnen sterven, verlaten door iedereen.
De prachtige tinten van de stad bleven trekken. Geen grijs of grauw was te zien. Het had immers geen zin meer gedeprimeerd te zijn. Dan vermande hij zich. Teruggaan naar het ziekenhuis en de test overdoen. Desnoods personeel omkopen of knoeien met de gegevens. Langzaam liep hij naar de opening in de vloer. Nog een slok. Ineens werd zijn voet door iets gegrepen. Het was een stalen band die over het beton liep. Zijn armen maaiden door de lucht maar vonden geen houvast meer. Hij suisde làngs de trap naar beneden. Een korte knik weerklonk. Alles werd licht. Het was alsof hij wegzweefde. Beneden lag zijn lichaam, met de fles. Weerklonk er geen Requiem uit de andere kamer?

4-2-'78


De Twijfel

De boomtoppen ruisten zacht. Het mos op de paden was nog vochtig. De gehele atmosfeer was gezuiverd van materiele en geestelijke verontreiniging. Alles scheen open te staan voor een nieuw begin. De hevige regenval had alles schoon gewassen en doordrongen met de verzamelde krachten van de zon. Dagenlang had de bewolkte lucht een sombere sluier over de aarde getrokken.
Er knapten enkele takken en twee mensen verschenen op het weke pad. Ze spraken met elkaar, maar het was niet storend. Hoewel het leek alsof ze geen aandacht hadden voor de hen omringende bomen en kruiden, was het bijna aan te voelen dat ze een gehéél vormden met alle aanwezige leven.
Het was op dit ogenblik de enige plaats waar ze konden bestaan. Ze waren ongetwijfeld gevlucht. Gevlucht voor de orde en de druk van de maatschappij.
De jongeman zei iets onhoorbaars tegen het meisje dat naast hem liep. Hij greep een tak en wees. Wáárnaar was niet te zien, maar in ieder geval waren beiden geboeid door wat ze aanschouwden. Hier in deze zo onbedorven, onontdekte ruimte, ervoeren ze een bevrijding. Ze liepen verder.
De kleurnuances van de bladeren vormden een zeldzame compositie. De gezeefde lichtbundels deden steeds in korte flitsen de karakters van de twee naar buiten treden. Op hun gezichten lag een geschiedenis te lezen, zeer veel ouder dan zij zelf waren. Losse twinkelende klanken weerkaatsten overal.
De jongen keek naar het meisje. Wist hij eigenlijk wel wie ze was? Het scheen hem toe dat hij een bezoeker was die haar ontmoette in deze schoonheid. Zelf was hij diep gelukkig dit alles te mogen zien. Zij daarentegen behoorde hier, was één met alles wat hen omringde. De vraag werd heftiger. Wie was ze? Hij hield van haar. Men zei dat hij haar "kende". Toch liep hij daar nu als een vreemde, als de eerste mens in de schepping. Een warme genegenheid maakte zich van hem meester, maar ook een vage onzekerheid. Was deze euforie mogelijk? Hoe kòn ze nog langer duren. Wie was de vrouw van wie hij zijn ogen niet meer af kon wenden? Kennen, wat was kennen? Mogelijk was ze geen mens, maar een buitenaards wezen. Mensen. Híj was een mens. Hoe kon hij er echter zeker van zijn dat de mensheid iets wezenlijks was. Een oneindig lange droom was het geweest, waaruit hij nu ontwaakte. De mensheid bestond niet. Híj was gevormd, hier geplaatst en wàs nu. Nog steeds waren zijn ogen strak op de ander gericht. Er waren geen bomen meer, geen zon, geen vriendin. Alles was vervloeid. Ongelooflijke schoonheid aanschouwde hij, een gelaat omkranst door gouden stralen die alles overtroffen wat hij voordien gedroomd had. Iets was gevormd en hem was de genade van aanschouwing geschonken. Verdwaasd staarde hij voor zich uit. Dit alles was niet te omvatten en nauwellijks te ervaren.
Met een schok besefte hij dat geen gouden stralen waren die hij zag. De omgeving baadde in een onheilspellend bruin. De tere klanken waren onanalyseerbare kreten. Weggelokt, dood, in de val. Warme genegenheid? Ten opzichte van wie of wat? Hij stond alleen en kon nauwelijks iets onderscheiden van wat vóór hem was.
Grijze vlekken doemden op. Eerst klein, in de verte, maar ze groeiden. Waarom was hij hierheen gegaan. Waarom had hij dit gewild! De vlekken groeiden
steeds meer en werden personen. Alleen met zijn wanhoop, eenzaam en verlaten bedreigd van alle kanten. Eigenlijk waren het geen personen die op hem af kwamen. Vogels waren het, met benen en armen. Of het waren mensen met vogelkoppen. Rondom was het nu vol met deze koppen met hun dreigende ogen en afschuwelijke snavels. Machteloos niet in staat nog íets te zeggen zakte de jongeman op zijn knieën, bevend over zijn gehele lichaam. Vervolgens doken de vogels op hem neer.
Het meisje keek om want haar vriend liep niet meer naast haar. Languit lag hij op de grond. Bij zijn linkerhand lag een groenig witte schaal. Ze draaide zich om en liep verder.

18-3-78.


Een Heerser
Die dag, dat de mannen mij kwamen halen wist ik dat ik bevrijd zou zijn, hoewel het een arrestatie betrof. Er zijn veel sterker bindingen dan gewone gevangenissen. Van een ondraaglijke gevangenschap naar een draaglijke is een zekere bevrijding. Maar mijn geest blijft. Het is te hopen dat het eindoordeel spoedig zal komen: de dood. Goed beschouwd ben ik nergens schuldig aan. Tenminste, niet voor de wereld - wel voor mijzelf. Toch zou men alles zo kunnen interpreteren dat het hoogverraad blijkt te zijn. Uitwissen van alle gegevens op het moment dat men mijn tuinhek
binnen kwam is slechts fantasie. Misschien had het gekund, maar ik heb het niet gedaan. Bewijsmateriaal te over als men mijn apparatuur aan het spreken krijgt. Moeilijk is het niet.
Er leek een lichte triomf in de ogen van de mannen te schitteren toen ze op mij toetraden. Voor hen was het misschien een klein succes, maar wat ze deden was voor mij weldadig. Ze beseften alleen niet wat ze de wereld aandeden. Het was allemaal langzaam gegroeid, en zo was het ook mogelijk geworden dat ik het slachtoffer werd van mijn eigen fantasieën en later een volmaakte slaaf van mijn geweten en mijn ethiek zodat ik onafgebroken bleef werken. De grenzeloze pijn die ik met alles meevoelde, de schuld die ik op mij nam, omdat ik steeds weer om het ene te redden het andere moest vernietigen.
Laat ik echter bij het begin aanvangen en u uitleggen hoe het zover heeft kunnen komen. Twee zaken werden mij noodlottig, dat wil zeggen de combinatie van beide. De ene was mijn voorliefde voor telecommunicatie, met name de zich steeds vernieuwende elektronische telecommunicatie, waarin ik mij al vroeg thuis voelde. Zoals de vroegere HBS-ers geheimzinnig met chemicaliën prutsten of met radiobuizen, zo was ik duidelijk iemand die midden in de moderne tijd stond. Televisietoestellen repareerde ik, bouwde ik om en maakte ze gevoeliger. Wereldontvangers bouwde ik later zelf. Radiotoestellen waarop alles te ontvangen was. Testbeelden uit de meest vreemde streken kreeg ik binnen. Dat was plezierig want het was passief. Een andere passie van mij was de informatieverwerking. Het begon met rekenmachines en klokken die in mijn jeugd binnen het bereik van een klein zakgeld lagen. Ook complexere zaken kon ik mij permitteren, microprocessors, oude telexen. . . . . Wel, laat ik, met mijn technische achtergrond, u niet vervelen met een overmaat aan technische aspecten. Het lijkt misschien zo dat ik een onschuldige hobby had: elektronica. Ik begon echter de ontvangst van gegevens te koppelen aan de informatieverwerking en op het moment dat ik mijn ingenieursstudie begon, ontving ik gegevens van diverse satellieten die ik die ik liet analyseren door speciaal door mij ontworpen apparaten, zodat de teksten uitgetypt verschenen. De Pravda, iedere dag vers op de telex, persberichten van Reuters, foto's van weersatellieten, maar ook militaire gegevens, wetenschappelijke gegevens. Planeetonderzoek verscheen bijvoorbeeld op hetzelfde moment bij mij op tafel als bij de betrokken instanties.
Inmiddels was ik gaan zenden, legaal, maar daar heeft misschien het keerpunt gelegen dat mij mijn gemoedsrust kostte. Al tijden was ik geschokt door de ellende die ik te horen en te zien kreeg. Het aangenaamst waren nog wel de foto's van de weersatellieten. De QSL-kaarten uit China, Kenia, Perzië, Thailand en Australië (om maar wat te noemen) vrolijkten mij wat op. Die uit Duitsland Engeland en Frankrijk waren natuurlijk ook leuk om te krijgen. Technische gegevens bespaar ik u.
School er een klein machtswellustelingetje in mij? Ik denk van wel. Het wrange van dat feit is dan wel dat het mij tot een absoluut altruïsme heeft gedwongen, waardoor ik het grootste deel van mijn leven voor mijzelf ondraaglijk maakte. Redders waren het, de twee die mij arresteerden.
Welnu, het zal duidelijk zijn wat er gebeurde. Mijn mogelijkheden werden onbeperkt. Jaren later – ik was gespecialiseerd in de informatica en reeds lang afgestudeerd - had ik in mijn kelder beschikking over een wand met ontvangers, die beurtelings mijn aandacht kregen. Telexberichten rolden binnen, morse werd gedecodeerd uitgetypt, band- en video-opnamen waren beschikbaar waar nodig. Mijn uitkering gaf mij alle mogelijkheden al begrijp ik niet waarom ik er een kreeg.
Eén ding moet ik duidelijk stellen: alles bleef volkomen reëel, het werd geen science fiction. Onmogelijke dingen presteerde ik niet. Ik bouwde geen alwetende computer waarnaast ik kon gaan liggen slapen. Integendeel, iedere uitbreiding van de mogelijkheden bezorgde mij meer werk. Dag in dag uit zat ik achter mijn bureau - een gewone houten tafel met laden. Vóór mij een gewoon schoolschrift met een groengrijze kaft en in mijn hand een goedkope ballpoint. Ik noteerde, vergeleek, analyseerde, liet bepaalde problemen oplossen door mijn apparatuur en sloeg uiteindelijk alles op in steeds groter worden geheugens. Tot op het moment dat er verbanden te leggen waren. In dat stadium werd de verantwoordelijkheid groot. Ik loste zaken op, zocht compromissen, maakte voorstellen die haalbaar leken. Natuurlijk ging dat niet op allerlei fantastische manieren naar geheime agenten die bij mij in dienst waren. Neen, ik verstuurde brieven, seinde berichten en liet mededelingen doorsijpelen. Pure handarbeid, eigenlijk niet spectaculair.
Militaire machthebbers ontvingen mijn informatie uit het niets, journalisten konden snel kwalijke zaken aan het licht brengen, adviseurs over de gehele wereld werden beïnvloed door mijn berichten. Het enige dat ik deed was beïnvloeden, corrigeren. Het is echter duidelijk dat dit beïnvloeden zeer effectief gebeurde, doordat het gebaseerd was op een overweldigende hoeveelheid informatie. Na verloop van tijd had ik een algemeen regelende rol. Congressen werden door mij bepaald, stemgedrag stuurde ik, verhoudingen van landen, alles. Oorlogen wist ik te stoppen of te voorkomen. Mensenrechten werden meer en meer geëerbiedigd.
Niet altijd ging het zo eenvoudig. In Zuid-Amerika moest ik voortdurend mensen opofferen om meer te kunnen redden. Het drukte zwaar op mij maar ik moest beslissen. Steeds minder tijd bleef er over om te slapen, om te verwerken, om mijn schuld te accepteren. Omdat er toch iets moest gebeuren om te blijven denken leerde ik, net als Napoleon, overdag in verloren minuten te slapen. Ieder moment bleef echter het complex van het wereldgebeuren in mijn hoofd en ik leed. Onmenselijke pijn knaagde aan mij, geestelijk en lichamelijk. Dit alles maakte mij tot een wrak. Slaap is- helaas- niet noodzakelijk om in leven te blijven, dat heb ik duidelijk gemerkt. Er waren voortdurend alarmseinen als er informatie binnenkwam via een monitor. Alleen routinezaken werden opgenomen, verder werd alles door mij direct onderzocht, samengevat, beoordeeld, gecombineerd en opgeslagen nadat maatregelen waren getroffen. Dreigde ik dan minder aandachtig met de zaken bezig te zijn, dan verscheen wel weer een ander alarmsignaal. Soms ging dat vergezeld van de meest gruwelijke problemen die mijn geweten deden branden. Neen, ophouden kon ik niet. Bovendien voelde ik mij ver plicht steeds meer te onderzoeken, te ontvangen, te regelen. Het kon niet lang meer duren voor ik aan het einde van mijn krachten zou zijn. Afremmen van de voortgang betekende echter moord op miljoenen. Wanhopig trachtte ik efficienter te denken, hetgeen lukte. Tot overmaat van kwelling begon ik te denken dat ik onsterfelijk was. Een mens, maar wel onsterfelijk. Eeuwig deze kwelling te ondergaan was een straf die gegeven werd omdat ik het goede wilde. Wilde ik oorspronkelijk wel het goede? Was ik niet begonnen uit heerszucht en boette ik daar nu niet voor?
De dag dat de mannen mij kwamen halen, wist ik dat ik bevrijd zou zijn. Wie bevrijdt mij echter van mijzelf? De gedachte dat beneden in mijn kelder apparatuur informatie geeft die verloren gaat, met de meest verschrikkelijke gevolgen. . . Of is alles uitgeschakeld en komt er niets meer binnen?
Dan zullen de bewijzen wel rond en komt de uitspraak spoedig. Mijn advocaat begrijpt mij niet. Hij beweert steeds dat ik slechts veroordeeld zal worden wegens overtreding van de wet op het zenden, en dat ik een vliegveld-controletoren heb gehinderd in het radiotelefonisch verkeer.
Het is hard, maar zonder mij zal de wereld de verkeerde kant opgaan. Ellende, oorlog, stuurloos. Maar ik zal rust hebben als ze mij eenmaal terechtgesteld hebben.

11-9-'80


Ontwerp voor een stadsopvoering

Op een centraal plein zit een man. Hij is niet al te jong en bouwt met een aantal felgekleurde blokken, zoals op de kleuterschool. Alleen zijn deze blokken veel groter, ook relatief gezien. De constructies zijn complex.
Na enige tijd komen er een paar mensen die de bouw verhinderen en het voltooide uit elkaar trappen en werpen. De man weent hevig, treurt, wentelt zich over straat en is dan apathisch. Nog later begint hij overnieuw te bouwen. Het resultaat vertoont overeenkomsten met het vorige werk, maar is nog ingenieuzer en onbegrijpelijker. Als de voltooiing lijkt te naderen, maar toch niet bereikbaar is vanwege de te grote complexiteit van het tot dan toe vervaardigde staat hij op, trapt alles uiteen en gaat weg.
Iemand loopt langs en begint hopeloos met de blokken te stuntelen. Vervolgens nog iemand, net zolang tot men denkt dat het materiaal voor algemeen gebruik bedoeld is en voorbijgangers mee gaan doen. Wordt er iets zorgvuldig opgebouwd, dan komen de mensen uit het begin terug en verwoesten het.
Daar men dit laatste gebeuren wellicht niet herkend als een herhaling van de eerdere ingreep (bv. omdat men het eerste deel niet heeft meegemaakt), kan er van alles gebeuren: ruzie, spijt, onverschilligheid, woede, onzekerheid, doorzetten, angst, klagen.
Vervolgens komt de eerste man terug en bouwt met de blokken een kubus of balk en gaat weg. De verwoesters zijn al verdwenen. Het bouwwerk wordt overgelaten aan het straatleven en pas midden in de nacht verwijderd.
Later wordt op dezelfde plaats een bord met een verslag geplaatst met beelden van de gehele opvoering, alsmede een verklaring aan de hand van het hierboven beschrevene. Om het verslag te kunnen maken moet het gehele gebeuren in hoogtepunten - tot het weghalen van het materiaal toe – worden gevolgd en gefotografeerd.




TWEE GELEGENHEIDSVERHALEN


Een groep vrienden of "de idealen"

In het begin kenden zij elkaar niet en bemoeiden zij zich ook niet met elkaar. Heinrich Lugering wist het nog goed. Hij had op een bankje gezeten, ver van alle collega's. Zijn instelling was toen tamelijk negatief en afwijzend geweest. Vooral het toekomstig gezelschap had hij min of meer als hinderlijk afval beschouwd, dat bovendien nog làstig kon vallen. Zo op de bank gezeten - meer een plateau, dat misschien slechts voor de sier was aangebracht - had hij Prang gezien. Ares Prang, de student met de pijp. Weer zo’n opschepper, was zijn eerste gedachte geweest toen hij Ares, met zijn doordringende blik en aarzelende baard, vragen had horen stellen. Dat Ares sommigen klempraatte en daarbij zijn pijp uit zijn mond nam en ermee wees, had hij komisch gevonden. Zo leerden de anderen zien dat ze nog niets waren. Maar achter de stoerheid en wijsheid zat beslist iets anders. Vermoedelijk legde de "Wijze Meester" het erop aan bij Chenine de Jong in de gunst te komen.
Naderhand hadden ze ook veel gekaart in de pauzes. Heinrich was er toen niet in geslaagd een goede indruk van Chenine te verkrijgen. Ze had hem wel eens aangekeken maar half hooghartig half verlegen, had hij het gelaat afgewend. Ze leek hem beslist iemand voor Ares.

Willem Liebner, die ze allebei, of eigenlijk alle drie kenden, was pas later opgedoemd. Ergens, tijdens een bijeenkomst, had hij opgemerkt dat hij koperslager was, maar de toekomst van het vak somber inzag en daarom maar weer een studie had opgevat. Ook daar had Heinrich gezwegen en nagedacht. Zijn Grootvader was koperslager geweest, doch tevens een groot fabrikant. Liebner zou toch een of andere toelating tot zijn studie hebben moeten passeren. Als koperslager kon hij hier niet beginnen.
Later bleek dat Willem de kille ingenieursstudie, die hij was begonnen in een grijs verleden, had afgebroken waarna hij jarenlang had rondgedoold door verre landen. Toen, in dàt gezelschap, had hij "koperslager" echter genoeg gevonden.
Liebner ging lang niet zoveel met Chenine om als Ares Prang. Vanaf het begin was hij gefascineerd door een klein verlegen meisje, Arieneke Walstra geheten, dat hij niet uit het oog verloor. Later waren er zelfs gedichten gemaakt, zij het dat Liebner daarbij ondersteund werd door Prang, die al jarenlang dichtte al was dat over andere onderwerpen. Ook Lugering had bij tijd en wijle een rijmende woordenstroom aan het papier toevertrouwd. Dat was echter later, toen zij elkaar beter kenden.
Ze waren veranderd gedurende de jaren daarna. Kritischer geworden, was hun idealisme wat afgesleten. Ares had in het begin veel gekaart, wijze leringen verkondigd en met zijn pijp gewezen. De Davidsster die om zijn hals hing was meer en meer het symbool van zijn achtergrond geworden. Heinrich had weliswaar dezelfde achtergrond, doch droeg dit symbool niet en het keppeltje evenmin.
Dat laatste niet, omdat hij het onmogelijk op zijn achterhoofd zou kunnen balanceren. Wel had hij een kettinkje gedragen, maar dit was door een vingerwijzing van Ares (zij het een tamelijk krachtige) weggevallen. De gebroken schakel had jarenlang op herstel gewacht.
Zo was het verleden vervaagd. In gesprekken, waar Willem vaak bij was hadden zij hun achtergronden belicht. In het begin had Liebner de zaak nogal eens onderbroken door kreten, geslaakt na geruime tijd van ademloosheid en waarvan de betekenis steeds duidelijk was geweest: "Arieneke in aantocht".
De ziekte, want dat moest het zijn, was erger geworden. Blozend moest Arieneke Willem soms passeren, wanneer deze aan een deur hing te slingeren of een zaal bespiedde om een glimp van haar op te vangen.
Ook die tijd was weggeëbd. Ares had na het overlijden van zijn Vader een bundel met zijn beste dichtwerken laten drukken en zich daarbij sterker aan zijn symbolen gehecht dan ooit tevoren.

Chenine was geruime tijd weggeweest. Dat deed ze wel meer wanneer ze spontaan besloot dat er iets in haar leven moest veranderen. De vrienden waren blij indien ze terugkeerde naar de stad. Ze ontmoetten haar meestal bij toeval, soms ook brachten zij haar een bezoek. Heinrich sprak graag met haar over literaire zaken, of over het alledaagse leven dat vaak wonderlijk in elkaar zat. Hoewel zij schreef hield zij dit verborgen voor anderen. Zelfkritiek stond haar niet toe het werk te tonen. Heinrich betreurde dit, doch vergat dat zíj niets van zíjn serieuze geschriften kende. Niet omdat hij dat niet toestond, maar doordat zijn handschrift effectiever beschermde dan welke kluis ook. Daarnaast was er nog beveiliging door de inhoud naar het scheen. Ares viel namelijk keer op keer in slaap wanneer de nieuwe teksten door Lugering werden voorgedragen. Allen hadden zij echter hun dagelijks leven, dat soms boeiend kon zijn en dat vaak sterk verschilde van wat zij schreven. In kleine cafés en bierlokalen brachten zij soms pratend de avonden door.
Heinrich besefte ineens hoezeer de gesprekken met Chenine, of de discussies ergens in de stad met Willem of Ares, zijn leven beïnvloed hadden. Langzaamaan had hij zijn verleden kritischer bekeken. Vooral de zelfstandige periode, waarin hij had gewerkt en had besloten te gaan studeren, ging er anders uitzien. Wat waren de motieven geweest? Was hij beïnvloed door zijn behoudende, kapitalistische werkgever, die hem het belang van geld had doen inzien? Er was een kloof gegroeid. Meer en meer vormde hij zijn politieke denkbeelden. Hij had zelfs een mislukte poging gedaan om de ideeën te verwezenlijken en misschien zouden er meerdere volgen. Verandering was noodzakelijk, de enige redding voor de maatschappij. Wanneer hij de anderen ontmoette en zij hun moeizaam opgebouwde denkbeelden bespraken, dan bleek al gauw dat deze tegenstrijdigheden in zich borgen, onmogelijk waren, of dat zij hun eigen verzinsels niet geloofden. Willem deed een poging te genezen van Arieneke, maar het lukte niet, hoe mooi hij zijn ziekte ook omschreef. Ares dichtte en werkte. Heinrich schreef en onderzocht, doch verwaarloosde zijn vak. Chenine ging door met spoorloos verdwijnen en terugkeren. Af en toe sprak Heinrich haar. Ares trof haar zelden thuis.
De tijd was verder gegaan en er was nog niet genoeg veranderd. Vier mensen die min of meer met de sterke wil hun studie te voltooien naar de stad waren gekomen, werden slordiger. Ares vertelde enthousiast verhalen over het werken met kinderen of het geven van therapieën. De beschikbare studietijd vulde hij voor een groot deel met pogingen zichzelf wijs te maken dat het eigenlijk ook wel bij de studie hoorde. Heinrich slaagde er minder in zijn nevenactiviteiten onder te brengen bij de zeer elementair natuurwetenschappelijke richting waarin hij zich specialiseerde. De muziek en de literatuur vulden zijn dagen zozeer, dat hij schrok toen hij bemerkte dat bepaalde formules uit zijn studie hem niet meer duidelijk waren. Eigenlijk had Chenine haar situatie het meest helder onder ogen gezien. Ze was plotseling gestopt en in een andere richting verder gegaan. Ze wist wel niet wat ze wilde, maar dreef zichzelf voort. Ze moest íets doen. Willem kon ineens zijn oude zwerftochten niet achter zich laten. Hij wilde naar India.
Zo was het idealisme vervaagd. Ze hadden de werkelijkheid alle vier onder ogen gezien. De uitweg was voor hen alle vier verschillend.
Ares had zijn studie tot een minimum ingeperkt en besteedde er weinig aandacht meer aan.
Heinrich glimlachte toen hij bedacht dat zijn absurd uitgebreide programma zó was gekrompen, dat het nog nauwelijks meer dan normaal was. Chenine voelde zich thuis in haar nieuwe richting, maar zou nog lang moeten werken.
Heinrich kon gelukkig een lange adempauze inlassen, nu hij zijn eerste examen had afgelegd. Vreemd genoeg twijfelde hij aan zijn vroegere besluit de stad te verlaten. De stad had hem gevormd en in zich opgenomen. De enige die zich totaal uit de stad losrukte was Willem. Hij had hem des ochtends nog ontmoet. "Ik denk dat ik genezen ben en nog veel gezonder ga worden," had Liebner gezegd. "Het geld heb ik nu. "Opgewekt was hij daarop vertrokken, op weg naar India.
Lugering was daarna naar huis gegaan om te schrijven. Een kleine herinnering aan een periode in de stad. Een tijdperkje waarin grote veranderingen waren opgetreden.

22-5-'80


Monument voor Oom Arie
De jongen drukte de pet vaster over zijn oren. Het was wel niet erg koud en er scheen een bleek zonnetje, maar zijn gezondheid was slecht. Steeds weer werd erop gewezen dat hij voorzichtig moest zijn. Vandaag kon hij de tram nemen. Hij had een dubbeltje gekregen. Het was echter nog vroeg en hij kon nog een stuk lopen alvorens naar een halte te gaan. De filosofie wachtte. Hij wilde filosoof worden net als zijn Oom. Het was wel moeilijk om zo goed na te denken, maar er was bijna niets mooiers. Aandachtig liet hij zijn blik over de statige gevels glijden. Mooie huizen. Hier zouden ze misschien ook nog wel gaan wonen. Ze verhuisden immers zo vaak. Soms kwam hij thuis van school en dan was zijn moeder al aan het inpakken. Van achterbuurt naar wijken met herenhuizen, van wijken met groen naar steenmassa's. Soms bij de Maas soms ver van de haven. Zijn Vader verhuisde eigenlijk niet, die zat altijd op zijn atelier. Zijn Vader was geen filosoof en werkte ook niet, dat zei iedereen, want hij was kunstenaar. Eigenlijk zou híj ook kunstenaar moeten worden en kreeg dan ook les van zijn Vader, maar leuk was het niet. Filosoof was veel mooier. Daarom waren de zaterdagen altijd zo aangenaam, want dan ging hij naar Ome Arie, die alles uitlegde over de natuurkunde, de chemie en het bestaan en de logica. Hele ingewikkelde dingen vaak. Zijn Vader was veel te ongeduldig. Hoewel hij hem graag piano hoorde spelen, was hij altijd bang dat hij zelf ook weer zou moeten oefenen. In de winkels hoefde dat niet. Ze liepen dan door de stad en zijn Vader zei: "Nee, deze heb ik vorige maand nog gehad," of "Hé, een nieuwe verkoper. Die kent mij niet, dus daar gaan wij naar binnen. " Binnengekomen werden de piano's soms urenlang "geprobeerd" en na afloop zouden ze erover denken. Kopen deed zijn Vader nooit. Hij had immers een piano?
Ome Arie durfde ook heel veel. Hij vocht tegen de uitbuiting en verkondigde op fabrieken dat de kapitalisten eens weg zouden zijn en de arbeiders vrij, voor zichzelf zouden kunnen werken. Vaak werd hij van zijn kist getrokken en naar buiten gesleurd, want de onderdrukkers wilden de waarheid verzwijgen. "Op staande voet ontslagen wegens opruiing" heette het dan. Een keer had hij zelfs in de rechtszaal een betoog gehouden. Daar had hij zich goed vastgehouden aan alles en was niet weggegaan voor zijn spreektijd om was. Hij mocht immers drie minuten spreken van de rechter? Ontslagen worden kon daar ook niet. Zijn Oom dacht veel beter na dan andere mensen en die werden daar dan door ontstemd.
De jongen liep de hoek om en ging de volgende straat in. Het was nog een heel eind naar het Manpad, maar hij had nog veel tijd. Plotseling bedacht hij dat hij langs het laboratorium kon lopen. Als de ruiten niet beslagen waren kon hij van achter het hek zien hoe de geleerden daarbinnen werkten met glazen kolven en buizen. Zelf had hij thuis een paar kolven en een brander en Ome Arie had hem veel over chemie verteld, maar hier studeerden ze de gehele dag. Het moest geweldig zijn om naar zo'n hogere school te gaan, alleen was het te duur voor zijn ouders en hij moest eerst de HBS hebben gedaan. Later zou hij er toch zeker heengaan. Voorlopig moest hij thuis proeven doen. Helaas gebeurden er nooit zulke bijzondere dingen als bij Bram Vingerling.
Misschien had Ome Arie iets heel bijzonders. "Van de week zat ik eens te prakkezeren en toen dacht ik 'potverdikkie, als het principe van'..." Zoiets zei hij dan en dan had hij weer een uitvinding gedaan of iets nieuws ontdekt. Het kon ook zijn dat ze naar muziek zouden luisteren, de negende van Beethoven "Alle Menschen werden Brüder" Wat dat betekende wist hij wel. Opa sprak ook Duits en hij had altijd met Opa gepraat. En dan zouden ze het hebben over hoe dat zou moeten,  wanneer die vrede er zou zijn. Of ze luisterden naar het gebed uit de "Faust. " Ome Arie legde dan uit wat er met Faust gebeurde en waarom hij tòch gered werd aan het einde. "Die velden met graan,  die zag 'ie golven hè en toen zei die 'Oh Augenblick verweile doch,  du bist so schön.'
"Wat was hij geschrokken toen zijn Oom dat zei. "Dan was Faust toch verloren?"
"Nee, hij werd gered, want. . . . "

Het laboratorium was om de hoek. Het was stil op zaterdag. Er waren maar weinig mensen. Velen waren 's middags al weg. Prachtig was dat glaswerk. Daar zouden ze goud uit kwik kunnen maken, al zeiden de geleerden dat het niet kon. Hijzelf zou vanmiddag 'elektrochemie doen met Oom Arie. Het was een nieuw vak waarmee voorspeld kon worden hoe stoffen reageerden. Nu wisten ze ook hoe bindingen eigenlijk werkten. Later zou hij chemicus worden. Dat was ook filosoof.
Oom Arie had een nieuw boek gekocht, vast en zeker. Hij rookte altijd heel goedkope shag en heel weinig. Drinken deed zijn Oom niet. "Dan komt de nieuwe maatschappij er nooit. Als een arbeider drinkt dan helpt hij de uitbuiters mee. Nadat hij een tijdje had nagedacht liep hij verder en besloot bij de volgende halte op de tram te stappen. Geruime tij d later liep de jongen het voortuintje in en belde aan. Zijn Oom deed open, zijn tante zou wel weg zijn. "Potverdikkie, wat ben jij vroeg. Het lijkt wel alsof je er aardigheid in hebt, "klonk het zware Rotterdamse accent van zijn Oom met de rollende 'r' die helemaal geen r was. "Ik vind het allemaal heel echt Ome Arie."
"Vooruit, kom d'r in. Dan zal ik je eens wat laten zien."
Achter elkaar gingen zij de korte donkere gang door en kwamen in de kamer. Eén wand was geheel met boeken bedekt. Aan de andere kant stond de grammofoon en een van de modernste radio's, met enorme spoelen. Zijn Oom was een van de eersten geweest die een radio hadden. Er was een vereniging opgericht; de Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs, " die allerlei goede programma's uitzond.
Behoedzaam werd een kast geopend en een klos met draden staven en assen kwam tevoorschijn. Voorzichtig raakte zijn Oom de kontakten van een van de radioaccu's aan en het binnenste gevaarte begon te draaien. "Ja jôh, ik zat zo eens te prakkezeren nadat ik een boek over de dynamo gelezen had en toen dacht ik met warmte maak je elektriciteit, en met elektriciteit maak je warmte, met licht gaat het ook zo, dus waarom zou ik het principe van de dynamo niet omkeren om beweging van elektriciteit te maken. " De jongen luisterde gespannen. Natuurlijk was alles omkeerbaar, maar je moest het maar ontdekken! "Een elektromotor, weet je, ik ging ermee naar mijn vriend, je weet wel die van het museum, die ook die lessen geeft. Hij nam mij mee en liet mij zo'n apparaat zien. De eerste elektromotor. De eerste! 'Arie, zei die, je hebt het principe van zo'n vijftig jaar geleden ontdekt.' "
De jongen huiverde. Het was al ontdekt, maar zijn Oom was dus even knap als die andere uitvinder. Dan kreeg hij een idee. "Ome Arie, als ik nu hier een dynamo opzet die stroom levert aan de motor en er ook mee aangedreven wordt?" Voor ze er erg in hadden waren ze aan het praten over de onmogelijkheid òf de onmogelijkheid van het' perpetuum mobile'.
De middag vorderde. Nadat ze de elektrochemie verder hadden uitgediept en de jongen weer wat meer wist over ionen en covalente bindingen, kwam de filosofie aan de orde. "Weet jij of ik groen net zo zie als jij en of iemand anders het niet nog weer anders ziet? We maken afspraken over wat we met welk woord benoemen, maar of het hetzelfde betekent. . ?" "Ja," wierp de jongen tegen en gaf er blijk van dat hij de week die voorbij was gegaan goed had nagedacht, "maar de wetenschap kan toch voorspellingen doen en bij chemische experimenten komt er volgens Römp steeds hetzelfde uit. " "Zeker," rolde de 'r' van zijn Oom, "en daarmee hebben we dan een dubbel probleem. Wij spreken dingen af zodat we elkaar begrijpen en verder weten we niet eens of wat we zien ook echt wáár is. Wat we net bestudeerd hebben klinkt heel mooi, maar of het ook wáár is weten we niet?
Zo voerden de Oom en zijn neef een zware discussie, die de gebieden van de ontologie, epistemologie, en fenomenologie bestreken.
Het begon reeds te schemeren toen het voor de jongen tijd werd om weg te gaan. Zijn Oom hield hem echter tegen en nam een boek uit de kast. Dus toch een nieuw boek! Ongetwijfeld zou zijn Oom dat 's nachts lezen, want hij had een tijdelijke baan als nachtwaker. Mogelijk zou hij deze baan zelfs langer behouden, daar het voeren van politieke redevoeringen 's nachts weinig zinvol was.
De jongen vergiste zich echter. Voorin het boek stond met krullende letters geschreven: "Ter herinnering aan vele uren van filosofische overpeinzingen - Oom Arie"
Het werk bevatte een overzicht van de westerse filosofie. De jongen zweeg diep geroerd en zijn Oom zag hoe juist dit geschenk gekozen was. De komende dagen zou zijn neef weer door de havens lopen met anderen, balen stro omwerpend, tabak verzamelend, kauwend op stukjes van trossen gepeuterd teer of zelfs gooiend met stenen. Af en toe zelf varend, knopen leggend of gewoon naar de in en uitlopende schepen kijkend. De jongen had echter geheel andere plannen. Gezeten achter het tafeltje met het kleine mikroskoopje, met de viool waaraan hij doorgaans slechts kleine tertstoonladders wist te ontlokken tot grote bezorgdheid van zijn moeder, zou hij de week om laten gaan. Uren achtereen lezend in het nieuwe boek, dat voor een groot deel zijn leven zou tekenen.

18 & 19-7-'80. Geschenk aan L. G. W. Löhlefink




VERHALENBUNDEL "FLARDEN"


Mijn muze

Mijn muze is een ongeduldige muze. Ze heeft weinig tijd voor mij. Altijd heeft ze haast en vaak genoeg komt het voor dat ik wacht op haar bezoek, terwijl ze dan net lang genoeg verschijnt om te zeggen dat ze andere opdrachten heeft. Teleurgesteld blijf ik achter. Zij houdt zich niet aan haar afspraken.
Mij verwijt zij hetzelfde. Meermalen heeft ze mij terechtgewezen omdat ik haar heb laten wachten of eenvoudig verwaarloos. Toch vraag ik me af of ik wel schuldig ben. Als ik bezocht zou worden door een muze die de tijd voor mij nam, dan zou ik op haar wachten en haar niet vergeten. Maar hoe ijdel zijn mijn beweringen! Moet ik niet blij zijn dat ze tussen twee belangrijke bezoeken door míj wil ontmoeten? Is het geen wonder dat ze in die schaarse momenten míj haar metgezel wil noemen en tegenover mij haar zwijgen verbreekt?


Eenzaamheid

Op een donkere novemberavond liep L. door de straten van de stad waar hij woonde. Hij kende de stad door en door want in zijn kleutertijd was hij er komen wonen en ze had hem altijd sterk aangetrokken. De oude huizen waar hij altijd in speelde wist hij nog te vinden. Samen met zijn vrienden en vriendinnen, die nu allen evenals hij een vaste positie bekleedden, had hij er een groot deel van zijn jeugd doorgebracht. Er was veel veranderd sinds zijn ouders besloten hadden zich hier te vestigen. Vele huizen waren weggebroken en nieuwe wijken waren aangebouwd. De binnenstad die vroeger met haar nauwe straatjes een woonwijk vormde, bestond nu grotendeels uit pakhuizen en kantoren. Hier en daar was er nog een huis in gebruik en heel zelden kon men een rommelwinketje aantreffen, maar dan was het absoluut noodzakelijk om bekend te zijn met de binnenstad van vroeger. Begrijpelijkerwijze waren deze gebouwen namelijk sterk gecamoufleerd. Dit was de enige mogelijkheid om stand te houden.
Dit ging ongeveer door L. 's hoofd toen hij een nauwe steeg in liep die geheel onverlicht was. Er was zo weinig te zien dat toen hij het kleine bakkerijtje zocht dat één geheel vormde met de muur, dit onvindbaar bleek. Slechts doordat hij met zijn handen een inzinking in de muur voelde, wist hij de deur te bepalen.
L. liep verder zonder nog aan vroeger te denken. Hij ging het steegje uit en liep de brug op. Even over de helft bleef hij met een ruk staan. Er was iets vreemds. Bij nader inzien bleek dat er geen water meer in de gracht zat.
Het symboliseert de mensheid, dacht L. Ook wij veranderen van helder water in troebele modder. Gelijk lachte hij hardop om zijn wijsgerige gedachte. Het was eigenlijk bijzonder geestig.
"Ha ha ha." Zijn lach schalde weer terug door de straten en bombardeerde hem. L. had dit nog nooit meegemaakt. De stad had altijd gezwegen en nu antwoordde ze. Hoe kwam ze aan dit leven? Ze had zijn lach genomen en daarmee misschien ook zijn leven. Zijn geest was hem ontnomen door een stad. Een stad die hij zo kende en vertrouwde dat hij er met zijn leven borg voor had willen staan.
L. kreeg het benauwd en begon snel te ademen. Lichten flitsten om hem heen. Zonder het te bemerken was hij de volgende straat doorgegaan en in de winkelstraat aangeland. Lichten flitsten aan en uit. Het effect ervan was zeer sterk doordat er op dat moment geen gewone straatverlichting brandde. Het was duidelijk dat er feestdagen naderden. Een enorme mensenmassa verplaatste zich door de ruimte tussen de rijen winkels aan weerszijden. Het was een ongelooflijk gedrang. Iedereen wilde in zo weinig mogelijk tijd zijn inkopen gedaan hebben.
Tussen dit geflits en gedrang stond L. met zijn ogen te knipperen. Vaag besefte hij waar hij was. Na enige tijd realiseerde hij zich dat het bij zo'n gedrang bijzonder moeilijk was om op één plaats te blijven staan. Het vreemde was nu dat hij al zeker enige minuten stilstond. Van het gedrang was niets te voelen. Men bemerkte hem zelfs niet. Allen vloeiden in een ononderbroken stroom langs hem af. Hoewel er niets te zien was moesten ze toch door het een of ander weggeschoven worden zodra ze bij L.in de huurt kwamen. De mensen gedroegen zich alsof ze langs een grote glazen buis liepen. Misschien was er een magneetveld dat hen tegenhield.
L. probeerde iemand aan te raken maar zijn arm was te kort. De ruimte scheen zich met hem mee te verplaatsen als hij een stap deed.
Bekenden waren niet te ontdekken hoewel er waarschijnlijk genoeg liepen. Iedereen die er liep was slechts een onderdeel van de massa die als een dikke brij om zijn pilaar heen stroomde. Het leek inderdaad een vloeistof want hij kon zich verplaatsen waarheen hij wilde zonder dat iemand het bemerkte. L. kuchte en op dat moment bedacht hij dat hij geluid kon maken. Mogelijk zou iemand erop reageren want het was zeker niet uitgesloten dat alleen de massa zelf hem niet kon raken en omgekeerd maar dat een andere vorm van contact bleef bestaan. De gehele tijd had hij het geroezemoes van de straat gehoord en ook het licht gezien dat uit de verschillende winkels kwam. Door deze feiten enigszins gesterkt haalde L. diep adem en schreeuwde, schreeuwde steeds harder. Het geluid kwam terug‚ tientallen malen sterker dan hij het zelf had voortgebracht. Zó hard dat
hij met zijn vingers zijn oren toe moest stoppen. De situatie werd nu echt moeilijk. L. besefte dit en daarom greep hij naar een ander middel, zijn zaklantaarn. Die droeg hij de laatste tijd steeds bij zich,
omdat hij nu vaak uit hoofde van zijn beroep over onverlichte landwegen heen ging. Lukraak begon hij met het licht op ogen te mikken die door de straat dansten. Alles bleef onveranderd. Gelijk
nadat L. zijn lantaarn doofde kwamen er echter lichtflitsen terug. Het was zijn eigen lichtsignaal dat vele malen feller op hem werd afgevuurd. L. sloot zijn ogen en bleef staan.
Over anderhalf uur zou het sluitingstijd zijn dus zolang konden de vreemde verschijnselen nog minstens duren. L. besloot zich ertegen te verweren door de winkelstraat te verlaten en
wendde zich in de richting van de kade. Het was koud aan het water. De brug was gesloten zodat L. nog langer in de ijzige wind moest staan. Hij werd ongeduldig maar juist toen hij terug wilde gaan kwam het verkeer weer op gang. Voor hem stonden de fel gekleurde bussen van het streekvervoer.
Bijna direct nadat hij was ingestapt vertrok de bus. L. had geen plaatsbewijs. De chauffeur had hem eenvoudig niet gezien en ook de passagiers was niets opgevallen. Waarschijnlijk zou het de
controleur net zo vergaan. Dit laatste was het enige positieve van de gebeurtenissen. Dan sliep L.in door het monotone gedreun van de bus.
Toen L. ontwaakte wist hij zich alleen nog een flard van een droom te herinneren. Het had iets te maken met een groot koud onmenselijk wreed licht dat hem deed bevriezen. L. wreef zijn ogen uit en keek om zich heen. Waarschijnlijk had hij erg lang geslapen want het was midden op de dag. De zon scheen fel. De passagiers die bij het begin van de rit in de bus hadden gezeten waren allang weg. Dat was begrijpelijk want de rit had meer dan een nacht geduurd. Mogelijk was L. zelfs al enkele malen bij het begin punt geweest. Niemand zou dit bemerkt hebben daar hij zonder meer door geen enkel levend wezen opgemerkt werd.
De bus reed door een vlak landschap dat uit grote weiden bestond. Eigenlijk was het een grote weide. De lucht was helder blauw en de straatweg zwart. L. vroeg zich zo langzamerhand af waar
hij was en besloot het aan de chauffeur te vragen. Hij vergat dat deze poging tot mislukken gedoemd was gezien de verandering de vorige avond. Contact was niet mogelijk. Er was echter geen bestuurder in de bus. De plaats waar hij hoorde te zitten was leeg. Gelijk bemerkte L. dat de bus in het geheel niet reed. Waarschijnlijk stonden ze al stil voordat hij ontwaakte. Het gevaarte stond verlaten in een onafzienbaar groot weiland dat slechts door een zwarte weg doorsneden werd.
Mensen waren er niet en er was ook nergens uit op te maken dat ze bestonden, want in de bus viel geen informatie te ontdekken. De dienstregeling op de glasplaat, het bordje "geen uitgang" en zelfs de reclameteksten met hun gekleurde platen waren verdwenen.
Na een langdurig vruchteloos onderzoek stapte L.de bus uit en begon te rennen. Hij rende over de weg en schreeuwde, om mensen te roepen, maar ook om de doodse stilte te verbreken. Enige tijd later stond hij stil en zweeg. Om hem heen was geen gras meer maar harde brokken aarde. Grijs, evenals de lucht. Voor hem stond een rij van bomen die eruit zagen alsof ze met inkt op de horizon waren gekrast. Hun dreigende takken droegen geen enkel blad. De bomen waren dood. Ze waren geruime tijd geleden afgestorven of hadden nooit geleefd. Onheilsprofeten waren het die L.de weg versperden. Maar wàt viel er te versperren? Er was geen doel – er bestond niets meer. Alles was dood. Ook L. wist zeker dat hij niet meer leefde tenminste geestelijk niet. Zijn geest was hem door een stad ontnomen.
Drie dagen zonder drinken drie weken zonder voedsel. Misschien gaat het regenen, dan leef ik langer dan drie dagen, dacht L. Hij ging aan de kant van de weg zitten en wachtte op wat komen ging
Er zou echter niets gebeuren. Hij was al dood en in de eeuwig heid opgenomen. Een eeuwige zinloze leegte.

1977


Het verlies

Er was tamelijk veel verkeer in de stad. De automobilisten hadden hun raampjes opengedraaid, zodat ze bij het wachten niet zouden stikken. Het was warm want de zon scheen nog volop, hoewel het omstreeks vijf uur was. Karel haastte zich niet. Er was geen enkele reden toe. Deze middag was vrijgehouden om de stad in te gaan. Niets dreef hem voort zoals op andere dagen. Bij iedere etalage stond hij even stil om te kijken welke goederen werden aangeboden. Als hij alles in zich had opgenomen en bovendien had getoetst op betaalbaarheid en bruikbaarheid, ging hij verder. De volgende etalage werd dan bestudeerd.
Toen hij alles bestudeerd had liep hij niet door. De getoonde muziekinstrumenten in de laatste etalage hadden hem aan het denken gezet. Zijn gedachten associeerden snel en kwamen uit bij zijn jeugd. Helder herinnerde hij de zondagen waarop hij de stad inging. Hoe hij altijd bleef staan voor de pianohandel, ervan dromend dat hij eens aan het conservatorium zou studeren. Zijn gedachten dwaalden verder af. De muziekboeken die hij altijd kocht verschenen voor zijn geestesoog. Ook de andere boeken herinnerde hij zich nu. Hij kocht ze van zijn zakgeld, dat hij steeds opborg op een speciale plaats. Wetenschap en kunst waren toen twee onmetelijk hoge en verheven zaken. Het eerste werd beoefend door verstrooide mannen die reeds lang deze wereld niet meer toebehoorden. Mensen die vrij waren van het lage en aardse. in mystieke orden wijdden ze hun leerlingen in. Sprekend over de gestelde problemen liepen ze over de heuvels die verlicht werden door ondergaande zon.
De boeken die ze schreven konden door weinigen gekocht worden. Eigenlijk alleen door filosofen en hem, Karel. Verder door bijna niemand. De geschriften stonden in een oude boekhandel, waar tweedehands boeken te koop waren. Wanden vol. Bij het onderzoeken van de stellages bleek steeds weer dat er iets verhevens en mysterieus bij was gekomen. Waarvandaan wist niemand. Vermoedelijk door geesten meegedragen en 's nachts geplaatst. Misschien was het ook zo dat de boeken zonder meer materialiseerden. Het was in ieder geval onmogelijk te achterhalen wie het brein achter dit systeem was.
Zo ging het ook met de kunstenaars. Deze mensen waren volledig losgeraakt van de wereld en stonden in verbinding met de natuur. Het groen van de bomen, de onmetelijke stilte van de bossen, het ruisen van de zee - alles kenden zij. Alles wisten zij, maar ze hadden het niet meer nodig. Ze waren vrij van alles, licht en schoon. Hùn taak was echter om de absolute schoonheid in een onverwoestbare vorm aan te bieden aan de mensen. Hun muziek was er opeens en werd gespeeld. Hun schilderijen waren plotseling in de musea aanwezig. Hun boeken verschenen in hetzelfde winkeltje als de boeken van de wetenschapsbeoefenaars. Alleen sprookjes leerden iets over deze geheimen. Door alle legenden en volksvertellingen goed te onderzoeken kon men te weten komen op welke wijze men kunstenaar of wetenschapsbeoefenaar kon worden. Een lange weg van zuivering diende te worden afgelegd, voordat het eindpunt bereikt was. Eens zou hij ook met enkele vrienden op een berghelling zitten. Het hutje waar zij woonden en werkten achter zich. Vóór hen de overweldigende schoonheid van de natuur.
Al deze geheimen waren te bereiken in het kleine boekhandeltje, waar hij vaak kwam. Dáár verscheen alles wat hij nodig had. Dáár leerde hij een mens te zijn! Hij wist het nog zo duidelijk. Geheimen van de elektriciteit openbaarden zich. Hij las hoe planten leefden. De boeken vertelden hem wat anderen onderzocht hadden en hoe velen zich in dienst stelden van de onderzoeken die zij deden. Nog dieper zonk hij weg in zijn fantasieën en herinneringen. Nu waren er alleen nog de doordringende en onbeschrijflijk mooie klanken van muziek die alleen door bijzondere mensen begrepen werd. Een donker portret doemde op.
Vijf slagen galmden door de stad. Hij schrok op en liep verder. Zou het mogelijk zijn dit alles nog één keer mee te maken? Na alle ontluisteringen die zijn voorstellingen hadden ondergaan. Kon de oude schoonheid nog één keer terug komen? Het was een schok geweest toen hij ontdekte dat de heiligen die hij in gedachten had, niet bestonden, hoewel... Ineens besloot hij toch nog eens naar die boekwinkel toe te gaan en zijn jeugd daar weer even opnieuw te ervaren. Het was even verderop. Hij kwam er af en toe nog wel, maar met een geheel andere instelling dan vroeger.
Twee schilders waren er aan het werk. De ramen werden gekalkt en de letters verwijderd. Boek.... was er nog te lezen. Een deel van de rekken was zichtbaar. Leeg. Volkomen leeggehaald. Het zware gordijn was ook verdwenen. Steeds minder bleef er nog zichtbaar naarmate de schilders vorderden. Nog één veeg en toen was alles voorbij.


De streekbus

Vanavond 21 oktober reis ik weer met de bus door de vroege nacht. Binnen zijn de reflecties van licht, in de glazen plaat achter de chauffeur en in de ramen. Het enige dat nog naar binnen kan ís het licht. Het licht van auto's, lantaarns, lichtreclames, huiskamers en soms de maan. Er zijn mensen in de bus, maar dat zijn busreizigers bij late avond: slaperig, vredelievend, en ongevaarlijk.
De bus is veilig en beschermt mij tegen de maatschappij als een holte, schokkend, warm, zoemend, ruisend, in een moederlijk lichaam. Het uitstappen in de koude, op het harde wegdek, in de felle lichten, is als een geboorte, die mij terugwerpt in de maatschappij. De schaduwen, de vale kleuren, zonder een spoor van reflectie. Zo beschermend is de bus, bij nacht, dat ik elk aspect dat bij het gangbare leven behoort aandurf. Maar dan zonder van mijn plaats af te komen en liefst nooit buiten de bus. Vlugschriften schrijven, huwen, politiek bedrijven, kinderen krijgen, management, ten onder gaan aan verslavingen, studeren. Alles kan, want in de bus bestaat de maatschappij niet.
Vroeger was de bus slechts een groot gewelf dat mij van de ene onzekerheid naar de andere bracht. Of van de ene zekerheid naar de andere dan wel nog meer mogelijkheden van overgang. En ook van schrik naar geluk, van vrees naar haat, van blijdschap naar ontroering. Later werd de bus meer en meer iets dat op zichzelf stond. Hoewel ik vanaf mijn vroegste jeugd in de trein reisde, bleek de bus toch beslotener. Meer en meer werd het een vertrouwd omhulsel, een deel van het leven, want de streekbussen in Nederland zijn steeds hetzelfde. Ze vormen een universeel symbool van veiligheid en geborgenheid, met hun gele kleur. Zó sterk, dat geel de betekenis aan de bus ontleent, en niet de bus zijn betekenis aan het geel. De bus snijdt door de nacht, baant een weg. Let wel: de streekbus, want geen enkele streekbus heeft mij ooit bedreigd. Hij is geduldig en tijdens de lange ritten maakte ik kennis.
Hoe anders dan de gejaagde, onbetrouwbare stadsbus, die geïrriteerd raakt wanneer men te lang meereist. Ja, de stadsbus is gevaarlijk als de stad zelf. Eens in een grote stad heeft een stadsbus getracht macht over mij te krijgen en mij te vernietigen. Bijna gelukte het hoewel deze bus te weinig was afgedicht om een geest te hebben. De neonlichten dreigden en de bus dreigde ook, zodat ik nergens heen kon en maar wachtte. Uitgespuwd door het dak, geweigerd door de vloer en zelf walgend van de stangen. Gedwongen om te luisteren wilde ik mijzelf niet horen. Het lukte niet en mijn wantrouwen tegenover de stadsbus nam toe. Zelfs ontdekte ik hoe sommige exemplaren zich geel laten schilderen om geen stadsbus te lijken. Hoe bedrieglijk! Ze hebben een slecht karakter en de deuren zijn niet goed, evenals de banken. De streekbus is verwarmend, veilig, reddend en neemt het licht in zich op voor de reizigers, houdt het vast door reflecties. Wiegt hen in slaap en maakt ze gelukkig. Eigenlijk zou iedereen voorgoed in een bus moeten leven, want dan zou de betere maatschappij of zelfs Utopia bereikt zijn.
Maar ach, hoe zou dit kunnen? Nauwelijks ben ik weer herboren of ik vergeet, hoe krampachtig ik mij ook verzet, hoe ik geleefd heb tijdens de reis en hoe gelukkig ik was.

21-10-'79


Isoleer

Reeds in het oude Israël kende men de duif. Deze stond in hoog aanzien en werd evenzeer vereerd als tegenwoordig de machines in de fabriekshallen. Ja, zelfs veel meer, aangezien dit geen zelfverheerlijking kon zijn, want de duif was ondoorgrondelijk. Wij voegen daarentegen olie aan de machines toe. Vele bergen kende de omgeving en nu was het samengaan van de duif en de berg de oorsprong van de olijftak. Deze was duidelijk herkenbaar in het groen.
Heden ten dage is het echter zo dat het samengaan der mensen glazen ballonnen oplevert, die enkel en alleen voor kerstbomen bestemd zijn. De mens in zijn zorg zoekt de overgeblevene te handhaven en gebruikt ze in het laboratorium. De verrichte handelingen heten wetenschap. Geen van de verzorgenden weet echter dat deze handelingen er enkel op gericht zijn meer kerstbomen te doen ontstaan, om zo alle bollen het geluk te leren kennen. Hoe nutteloos is deze arbeid, daar alle mensen immers langzaam in wekkers veranderen. Dit is op zich bijzonder nuttig, want hoe onvoorstelbaar eenvoudig is de wekker vergeleken met de mens. De wekker kan theoretisch uit één element opgebouwd zijn - mits dit een metaal is. Dit tegenover de tientallen elementen in de mens.
Zo zijn alle vaderen Israëls vervangen door mechanische wekkers, glimmend en zilverkleurig. Hun ziel vereenvoudigd tot een stuk rond perkament dat tussen de achterzijde en de sleutels is ingeklemd. Dit in navolging van de ziel van Christus die sedert onheuglijke tijden als ouwel rondgaat. Deze wordt tot in eeuwigheid gegeten door de gelovigen. Dit is mogelijk dank zij het feit dat de ziel van Christus eindeloos is.
Dat de vaderen Israëls vervangen zijn door wekkers heeft ook zeker zijn invloed op de wederkomst van Christus. Vroeger was die onmogelijk, omdat de diverse organen van de mensen nooit met elkaar in overeenstemming waren. Nu is het echter een kwestie van wachten tot de alarmschellen in werking worden gesteld. Waarschijnlijk is de metamorfose geheel hierop gericht geweest. Uiteraard is het niet te hopen dat de wederkomst afhankelijk is van de moderne elektriciteit, want dat zou een vicieuze trilling scheppen.
Toen vielen zijn gedachten terug in de bleekblauwe bloem van het vaasje. Het was een korte reis van enkele seconden geweest, die evenwel een wereld had geopend. Hij keek door het beslagen raam naar de mist buiten. De straat was verlaten. Alleen de kale bomen hadden niet kunnen ontsnappen. Zij waren verankerd in de grond. Onder het nemen van een slok lauwe thee betreurde hij het dat de verwarming stuk was, waardoor het huis bijzonder vochtig werd. Dan hoorde hij de treurige muziek van een requiem. De ijzige klanken deden ook zijn geest verkillen. Er was geen toekomst meer.
Opeens begon hij te stralen. Een golf van geluk overspoelde hem. Hij stond op en hief zijn knie hoog op, zijn handen willekeurig in de lucht gestold."Dzjing," riep hij uit,"dzjiiinnggg!!!" Dit woord betekende meer voor hem dan de Koran voor een moslim. Daarna was er alleen nog een verbrokkeld zoemen.
De mist was nog steeds niet opgetrokken. Ook de bomen stonden nog roerloos langs de kant van de straat. Verlaten was deze echter niet meer. Er was een auto voor de deur gestopt. Twee mannen, in het wit gekleed, stapten uit. Beiden liepen op het huis af. Op de eerste verdieping was een menselijk wezen te onderscheiden. Heel vaag, want het raam was beslagen. Aan het silhouet was te zien dat de persoon roerloos in de kamer stond, met één been opgeheven en de armen gespreid in de lucht. Heel zacht klonk geluid vanuit het huis. Wat het inhield was echter niet te horen.
Niet alle mensen waren in wekkers veranderd en dat was bijzonder onaangenaam, want dan kon de wederkomst nog jaren duren. Er moest een lijn in zitten. Het was zeker dat op een bepaalde manier het proces versneld kon worden, maar hoe? Het ging er nu om een eenvoudige formule te ontdekken, waardoor de mogelijkheid toch kan worden verwezenlijkt.
De mannen gingen het huis in en liepen de trap op. Ze kwamen bij een kamer met een verveloze deur, die ze openden. De kamer die nu zichtbaar werd was uiterst eigenaardig ingericht, voor zover er van een inrichting sprake kon zijn. Behang was bij nader inzien wel aanwezig, maar zo oud en verweerd dat het die naam niet meer mocht dragen. Als vervanging waren blijkbaar koperdraden door de kamer gespannen. Deze draden waren òf onwillekeurig, òf volgens een zeer ingewikkeld patroon aan plafond en muren bevestigd. Hoewel ze als versiering konden worden opgevat, was het ook mogelijk dat ze een functie hadden. Tussen deze wirwar waren de meest uitzonderlijke gebruiksvoorwerpen zichtbaar, doorgaans op plaatsen waar een ander schilderijen neer zou hangen. Ander nut dan versiering was hiervoor zeker niet te vinden. Op de tafel stonden een theekopje en een vaasje. Het vaasje was beschilderd met een lichtblauwe bloem. Voor de rest was de kamer opvallend leeg. Achter de tafel stond een man die bevroren leek.
Langzaam veranderde hij in een marmeren standbeeld. Hij was de enige die geen wekker zou worden; hij was geen mens. De mannen leken hulpeloos. Het marmer moest voorzichtig behandeld worden, anders brak het tijdens het vervoer. De kleinste haalde een rol touw onder zijn jas vandaan. De opzet was duidelijk. Hij wilde het beeld vastbinden in een kist en daarna wegslepen. Dit moest wel zo voorzichtig mogelijk worden gedaan, om alle kans op breken te vermijden. Een licht geruis was hoorbaar. Het bloed dat het marmer tot nu toe rustig had doorstroomd, was op dit moment in korrels veranderd.
Buiten sneeuwde het nu. Langzaam vielen de vlokken neer, maar één vlok bleef zweven en werd groter en groter. Ze vloog op het raam af, brak dit en kwam binnen. Toen bleek dat het geen sneeuwvlok was, maar een bol mensen. Veel mensen. Ze stonden in de kamer en schreeuwden. Stuk voor stuk misten ze lichaamsdelen. Littekens waren echter niet te zien en dus moesten ze al bij de geboorte hun huidige gebreken hebben gehad. Het lawaai was bijna ondraaglijk. ledere aanwezige sprak zijn eigen zinnen. Mogelijk hadden ze de opdracht dit te doen en waren ze door de planeet gezonden. Plotseling begonnen de zinnen verstaanbaar te worden. Het bleken flarden van Bijbelteksten en stukken uit romans te zijn. Sporadisch waren ook natuurwetenschappelijke formules te horen. Het laatste wees erop dat de personen alle door de planeet gezonden waren en dat één van hen de formule voor de metamorfose zou kennen. Enkelen maakten zich los uit de massa, liepen op hem toe, schreeuwden enige woorden en gingen weer. Na enige tijd kwam er een man met een zwarte baard naar voren, ging vlak voor hem staan en sprak de bevrijdende formule uit. De man had geen ogen, zelfs niet de aanduiding in de vorm van oogkassen of oogleden. Het afschrikwekkend effect viel echter in het niet bij het belang van de formule. Op hetzelfde ogenblik verdwenen alle mensen en de zoemtoon was er weer.
"Wat is het hier stil", zei de ene man uit de auto, "zou hier verder niemand wonen?"
"Blijkbaar niet," zei de ander en ging meteen door: "Geven we een injectie?"
"Ja," was het antwoord.
Ze droegen de verstarde man op een brancard naar buiten, waar nog wat sneeuw neerdwarrelde.
Toen de zoemtoon was weggevallen waren er nog vier witte muren om hem heen. "Dzj" zei hij moeizaam. "dzzzjjj," maar de bevrijdende klank kwam niet meer.


De rust

In het ouderlijk huis, waar hij nog steeds woonachtig was, had men zeer weinig ruimte. Eigen kamers waren niet voorhanden voor de gezinsleden. De ingestelde noodoplossing - hij had overigens geen andere situatie gekend - bestond erin dat hoeken afgeschut waren met tapijten. Iedereen had een eigen beschut deel om zich af en toe ongestoord in terug te kunnen trekken. Nu was hijzelf altijd met dit gebruik geconfronteerd, zodat hij de situatie als normaal ervoer. Maar in tegenstelling tot de anderen, had hij nooit de behoefte gevoeld zich terug te trekken. Toch was het niet meer dan normaal dat hij dit deed, aangezien hij een voorbeeld aan de anderen nam. Hij kende de betekenis van het alleen zijn echter niet, en had zich aangewend te wenen gedurende die periodes. Het geluidloze wenen drukte geen verdriet uit, althans niet uitsluitend. Het was een ontladen van vreugde, smart, angst en twijfel. Alles!
Nimmer had hij durven vragen of zijn handelswijze juist was. Schaamte voelde hij niet. Hij weende immers geheel teruggetrokken, zodat men nooit iets zou weten van wat hij deed. Enige onzekerheid bleef. Met name vroeg hij zich af of de anderen hun tijd niet nuttiger besteedden dan hij.


Het licht

Aan een landelijk weggetje stond een boerderij. Het was een van de weinige in de omgeving. Het rieten dak was oud en verweerd en op sommige plaatsen zelfs met mos bedekt. De muren werden door de late ochtendzon helder verlicht. In de kamer waren mensen zichtbaar.
Enkele volwassen mannen waren in een heftig gesprek verwikkeld, dat enkel onderbroken werd voor het tappen van een kop koffie. Achteraf stond een tengere bleke jongen. Hij nam geen deel aan het gesprek. Misschien omdat hij nog te jong was. Hij besprak blijkbaar iets met de vrouw naast hem. Was het zijn moeder? De mannen begonnen nadrukkelijker te gebaren en bemerkten niet dat de jongen achter hen langs de deur door glipte.
Het was toch zeker een half uur lopen naar het dorp. Hij kon er wel eerder zijn als hij doorzette. Zolang hij er maar voor de middag zou zijn was het goed. Zijn klompen ploften zwaar in het zand. Wanneer hij in de kerk was geweest, was er wel wat te doen op de markt. De inkopen voor zijn moeder moesten ook gedaan worden, maar de vermakelijke dingen vergat hij niet. Thuis was het saai. Meepraten mocht hij nog niet, daar was hij nog te jong voor. Het zware werk werd eveneens door anderen gedaan. Deze dag bleef er niets anders over dan de kerk, de markt, het dorp.
De deur knerste. Het geluid galmde door het lege gebouw. Langzaam liep hij naar voren. Achterin was duisternis. Hij kon niets onderscheiden in de bruine waas. Door één raam viel echter een strakke lichtbundel op de vloer. Stoffig en blauw doorsneed deze de holle zwarte ruimte. Het leek alsof er een kracht uitging van het licht. Langzaam schuifelde hij naar voren, volkomen in beslag genomen door de bundel. Het licht viel nu op zijn handen die het gebedenboek omklemden. Een warm gevoel doorstroomde hem. Een verlangen om zich geheel in het licht te baden maakte zich van hem meester. Even vergat hij alle eerbied en liet zich als een klein kind op de vloer vallen, zich wentelend in het licht. Toen hij opkeek was de zon niet te zien, maar de gele hemel scheen doordrenkt met helderheid. Lachend en juichend wierp hij de armen in de lucht en probeerde overal door de straal geraakt te worden.
Waardig schreed de pastoor naar voren. Er was niemand in de kerk, hoewel hij zoëven de deur had horen kraken. Zwak scheen de zon door de ramen en wierp lichte plekken op de vloer en over de banken. In het rechter gangpad lag een boek. De pastoor raapte het op en las de naam voorin, om vervolgens hoofdschuddend zijn weg terug te gaan. Hij keek nogmaals rond, maar er was niemand.
Na lange tijd kwam de jongen tot zichzelf en schaamde zich over zijn oneerbiedigheid. Hij stond op en tastte om zich heen aangezien hij volkomen verblind was door het felle licht. Hij trachtte zo zijn gebedenboek terug te vinden. Langzamerhand begonnen contouren door het wit heen te dringen. Er was iets veranderd. De kerk was er niet meer, maar links en rechts van hem waren twee grote zuilen gekomen, die deel uitmaakten van een gebouw, dat zich boven een plein verhief. De verbinding met het plein werd gevormd door enkele grote stenen treden. Verdwaasd keek de jongen naar de huizen om hem heen. Waar was hij? Dit alles leek op wat hij geleerd had over het oude Rome. Het was een volkomen geïdealiseerd beeld van het leven in die tijd. Mensen waren echter niet aanwezig. Nergens in de wijde omgeving kon hij een levend wezen ontdekken, zelfs geen insect.
Een enorme knal weerklonk. Geschrokken keek hij op. Er was een grote barst verschenen in de zuil links van hem. Nu begonnen de stenen ook te verweren en tot stof te vervallen, onder het vormen van gaten en sleuven. Angstig vluchtte de jongen weg, de trap af. Hij bemerkte dat hij op sokken liep, doordat hij zijn klompen voor de kerkdeur had uitgedaan. Het begon te schemeren. De huizen om hem heen, het gebouw met de zuilen, alles verbrokkelde en stortte na verloop van tijd in. Een hevige wind stak op die de planten verzengde en de bladeren van de bomen rukte, hoewel ze nog groen waren. Mensen waren nog steeds niet zichtbaar. Was er werkelijk niemand?
De nacht was ingevallen. Op een heuvel zat, tussen de brokstukken van een oude beschaving, een jongen. De heldere sterrenhemel wierp een uiterst zwak licht op hem. De jongen huiverde, want hij droeg slechts een kieltje en was op kousenvoeten. Een mens temidden van de materie in deze onmetelijk grote ruimte.


Het woud

Door het bos, dat dicht en donker is, gaat een ruiter. De bomen zijn soms hoog, dan weer niet. De beuken buigen zich over hem heen, in hun eeuwige wijsheid. De nacht is vaag zichtbaar tussen het lover. Ergens in de verte is het stromen van water te horen. De ruiter gaat voort. Hij is niet angstig, maar verbeten. Steeds verder gaat hij. Het blijft nacht en het zal voortaan altijd nacht zijn. De enige opdracht die hij heeft, is naar de andere zijde van het woud te gaan om daar een koning te bezoeken. Helaas is hij er nog steeds niet in geslaagd. Af en toe heeft hij gerust in een herberg, overnacht, zijn paard gevoederd en gelaafd. Verscheidene malen heeft hij gevraagd waarom het donker blijft en wanneer de dag aan zal breken. Men begreep hem niet. "Dag," wat bedoelde hij met dat woord? De hemel had altijd dezelfde kleur gehad. In wanhoop had hij eenmaal geschreeuwd: "Wanneer zal deze duisternis wijken?" De bomen hadden zijn woorden opgenomen en traag geknikt en geschud.
Nu trachtte hij nog slechts de zoom van het bos te bereiken. Tegen de ochtend zou hij aankomen. Tegen de ochtend... Maar de eeuwige duisternis wéék niet meer. De bomen werden groter, de aarden wallen groeiden en de geluiden werden dreigend. Stromen water sleurden zich langs hem heen. Nooit, nooit zou de duisternis meer wijken.


De profeet

De schemering viel reeds in. Een zachte wind deed de takken van de bomen bewegen. Ze konden nu hun eeuwenoude verhalen aan de wandelaars vertellen. Veel mensen liepen er echter niet, want hoewel het groen bijzonder mooi was op een avond als deze, nam niemand de tijd om het te bewonderen. Men had geen tijd voor donkere hulstbladen en ook niet voor kamperfoelie. Niemand had het geduld om te luisteren naar de traag vallende druppels.
Toch was iemand het bos ingegaan. Waarom? Het was een jonge man. Waarschijnlijk wilde hij in een rustige omgeving zijn problemen overdenken, om er mogelijk een oplossing voor te vinden. Althans, de bezorgde uitdrukking die op zijn gezicht lag deed dit vermoeden. Hij keek voor zich uit, maar doordat de nevel in de loop van de avond steeds dichter was geworden zag hij niets. Dit was een moment om gelukkig te zijn en toch was hij het niet. Een vage herinnering aan een groot verlies drukte zijn stemming terneer. Iemand was uit zijn leven verdwenen. Wíe wist hij niet. Een goede vriend, een tweelingbroer? Tot op heden had geen van zijn familieleden hem in kunnen lichten omtrent zo'n gebeurtenis. Hij pijnigde zijn hersenen met pogingen zich iets te herinneren, maar daarin slaagde hij slechts ten dele. Flitsen van herkenning trokken aan hem voorbij. Tè kort om iets te beseffen. Hij ging op een stronk zitten en staarde naar een willekeurig punt in de mist.
Na enige tijd doemde er iemand op uit de witte massa. Een menselijk wezen leek het, dat hem riep. De gestalte wenkte. Traag stond de jongeman op en volgde de verschijning. Deze ging een pad dat er niet eerder was. Het was een klein geultje, gevuld met bladeren. Aan weerszijden stonden er paddenstoelen. De rand van het bos kon niet ver meer zijn want het aantal bomen minderde sterk. De jongeman had in het geheel geen aandacht voor deze zaken. Zijn ogen volgden slechts de nevelvlek die hem leidde. Op een bepaalde manier kende hij de persoon vaag. Het moest de verlorene zijn waar hij over had gedacht. Ondanks het feit dat hij geen naam kon noemen was hij er zeker van dat dit de gezochte persoon was en zonder spreken volgde hij.
De mist werd dichter. Bomen waren er bijna niet meer te bekennen. Ze liepen nu over een heideveld. De jongeman ontdekte een kleine lantaarn in de hand van zijn gids. Deze was hem niet eerder opgevallen, aangezien de verschijning zelf hem totaal in beslag had genomen. Die was echter vervaagd, zodat de lantaarn in verhouding meer opviel. Hij voelde een vage blijdschap omdat hij iets had teruggevonden. maar de vreugde was even vaag als de verschijning. De grond werd drassiger en tussen de heidestruiken stonden nu ook andere planten. Even schrok hij, want hij dacht aan een verhaal over een licht dat mensen in het moeras lokte. Ondanks dat richtte hij zich op en besloot, hoe dan ook, zijn oude vriend te volgen. Inmiddels was alleen nog een vage lichtvlek zichtbaar die roodachtig in de nevel hing.
Op de weg was een vaag schijnsel zichtbaar. Het leek alsof er iemand liep. De oude boer wist wel beter. Hij trok aan zijn pijp en ging dichter bij de kachel zitten. Achter in de kamer zat zijn vrouw. Ze breide. Het is er weer, mompelde de boer. Niemand kende de oude geschiedenissen van de streek zo goed als hij. Zijn blik dwaalde weer af naar het raam en meteen stond hij op, want er klopte iets niet. Behalve het licht waren twee grijze vlekken zichtbaar. Twee mensen lieten zich toch niet zomaar tegelijk meelokken? Had niemand hen gewaarschuwd? Hij stommelde de schuur in en pakte zijn stallantaarn.
Vaag waren de contouren van een boerderij te herkennen. Er riep iemand en er werd met een lamp gezwaaid. " ie..óó..aa.." klonk het door de mist, ".à..ò..." Het moest een waarschuwing zijn, maar dat was immers onnodig? Als iemand betrouwbaar kon zijn dan was het zijn leider. Het was immers een vriend of zelfs een broer? Spoedig was er niets meer te zien of te horen. De grond was zelfs niet meer te onderscheiden. Het licht was er echter nog wel: de lantaarn die hem geleidde. Zijn vertrouwen was rotsvast, en hij voelde dan ook niet de minste angst. Vóór hem doemden torens op. Een immens gebouw werd zichtbaar, een kathedraal van enorme afmetingen. De deuren werden wijd geopend en een mensenmassa stroomde naar binnen. De jongeman wilde zich bij hen voegen, maar de afstand was nog veel te groot. Steeds duidelijker zag hij de stralende opening, die op mysterieuze wijze wèl door de mist te zien was geweest. De afstand was bijna overbrugd, maar nagenoeg iedereen was binnen. Toen hij de laatste passen af wilde leggen smakten de deuren dicht en was hij de enige die nog buiten stond. De deuren waren niet meer te openen. Hij liep verder en zocht andere mogelijke ingangen. Vanuit het schip klonk de machtige stem van een spreker: "......... een nieuw tijdperk is aangebroken....." De woorden vermengden zich met bazuingeschal. Dit eindigde abrupt toen de spreker weer aan zijn boodschap begon. De jongeman luisterde niet meer. Eigenlijk had hij helemaal niet geluisterd. Slechts woorden had hij gehoord, zonder ze te begrijpen. Hij zocht een ingang.
Even later vond hij er een. "Niet Ingaan" luidde het opschrift. Hij opende de deur zonder zich iets van het verbod aan te trekken. Het was eigenlijk geen verbod maar een raadgeving. In de kathedraal werd een treurzang aangeheven. Dissonante bazuinklanken gaven een groot verdriet weer. Achter de deur moest de kerk zijn, maar er was niets! Vóór hem moesten de mensen zijn en achter hem de deur, maar er was echt niets, waarheen hij ook keek of ging.
Voor de stenen muur zat roerloos een oude man. Groot verdriet stond op zijn gezicht te lezen. Een nieuwe wonde naast de talrijke oude. Machteloos had hij toe moeten zien hoe een uitverkorene zichzelf in het verderf had gestort en de eeuwige dood was ingegaan. Vele jaren had hij op deze plaats gezeten en velen hadden dit vóór hem gedaan, hun hele leven lang. Het plan was eenvoudig, dat zou eenieder die het kende zeggen. Toch had niemand het tot op heden volbracht. In het begin was er een kind dat uitverkoren werd. Tegelijkertijd werd een profeet, een wijze, bij de kathedraal geplaatst. Deze moest vele jaren wachten tot een kind opgegroeid was. Het kind en zijn opvolgers hadden vaak hun redenen om te weigeren toen ze eenmaal geroepen werden. Ze moesten de geheimen van het heelal leren doorgronden. Ze waren zwak en konden niet handelend optreden. Ze moesten hun vrouw en kinderen verzorgen, of hun ouders waren hulpbehoevend. Geen van hen was gekomen toen zijn ziel hem riep. De oude man zuchtte. De bazuinen schreeuwden hun smart uit maar de gewelven stootten het geluid terug. Vervolgens was er nog een tweede kans: in volle eenzaamheid zou iemand zich herinneren wat hem te doen stond en - nadat hij verdwaald was - de kathedraal vinden. Hij luisterde. Het geluid stierf weg. De spreker vervolgde zijn betoog, voor een ieder die het horen wilde. Allen wilden het horen, maar niemand kon het verstaan. Slechts één had kunnen verstaan, maar hij wilde niet horen. Hij had de dood verkozen. Op een dag, als de fouten en weigeringen zeer talrijk geworden waren, zouden deze voor hem zweven in de vorm van een roodachtig licht, gedragen door hoop. Weigeren was dan onmogelijk geworden. De volledige opdracht zou niet meer vervuld kunnen worden, maar een deel ervan nog wel, mits er volkomen gehoorzaamd werd en de volgeling niet op eigen ideeën vertrouwde. Hij moest blijven staan, zijn uitsluiting accepteren. Buiten zou hij de woorden ook kunnen horen, om daar de profeet te ontdekken en door hem te worden ingewijd in de oude geheimen. De oude man bleef droevig voor zich uitstaren. Duizenden jaren hadden hier profeten gewacht op een uitverkorene. Allen waren eenzaam heengegaan. Ook hij zou in hun rij worden geplaatst.
De deuren gingen open en de mensen kwamen weer naar buiten. Hun gezichten stonden somber, want ze hadden de vreugde van het gesprokene niet begrepen. Van hetgeen zich zoëven buiten had afgespeeld wist niemand iets. Een van de kerkgangers stond stil en wierp een geldstuk naar de oude man die altijd naast de poort, tegen de muur zat. Toen iedereen weg was, zat alleen de bedelaar er nog.
De volgende dag werd de oude man gevonden door mensen die naar hun werk gingen. Dood. Een magere zieke bedelaar die merkwaardige ideeën had gehad over iemand waar hij op moest wachten. Even later droeg men hem een zijdeur van de kerk binnen. "Niet Ingaan " stond er op het bordje. In de gang lag een jongeman. Vermoedelijk was hij er uitgeput binnengekomen, en had het trapje en de blinde muur niet bemerkt. Waarschijnlijk had hij er de gehele nacht buiten bewustzijn gelegen.
De ochtendmis was reeds begonnen.


De winter

Garm duwde zijn handen dieper in zijn zakken. Het was kouder dan hij verwacht had. De wind drong door de grof geweven stof van zijn jas heen en verkilde de nog vochtige huid eronder. Onzekerheid was weer bij hem opgekomen. Vaag besefte hij dat het een verontreiniging van zijn geest kon zijn en dat water zou helpen alles weg te wassen. Zodoende had hij urenlang in bad gelegen tot zijn huid begon te rimpelen bij de vingertoppen. Ditmaal was het echter geen afdoende middel geweest en dat had hij kunnen weten. Het was niet alleen zíjn geest die onzuiverheden had opgenomen. Veeleer trok de teruggekeerde dood door het gehele land. De afgestorven lichaamsdelen van de bomen waren immers al maandenlang her en der over de straat verspreid. Wie anders dan de dood had dit veroorzaakt? De verkiller die met grote regelmaat arriveerde en sombere plichten vervulde, totdat de zon terugkeerde en de overgeblevenen redde. Nu was het de tijd dat de mensen bevroren, hoewel het leek alsof er niets veranderde. Om hem heen waarden de verschrikkingen rond. Hij was stervende, maar niet letterlijk. Van een naderende dood was bij hem geen sprake. Het was een uitstel, steeds opnieuw en ondertussen was hij nergens toe in staat.
Keert de zon ook nu uiteindelijk weer terug, vroeg hij zich af en trachtte zich te herinneren hoe het vroeger was. Merkwaardig genoeg was hij vroeger een bondgenoot geweest van zijn huidige vijand. Dagenlang zwierf hij rond en verzamelde dode bladeren. Wanneer de winter weer kwam verheugde hij zich erop door de zuivere sneeuw te waden en de geur van ijle rook te herkennen. Héél stil was het dan‚ want zelfs de af en toe krakende takken vermochten niets tegen de dempende sneeuw. ‘s Avonds in het warmgestookte huisje, trok hij zich terug en las boeken over de winter. Wàt die boeken ook beschreven, ze waren vol weemoed, vol van schoonheid en geluk.
Lang had het niet geduurd. Hij was een mens en men leerde hem dat de dood de vijand van de mens was. Iedereen haatte de winter, hij ook. Die haat was plotseling opgekomen. Op een dag had hij gezien wie zijn vroegere bondgenoot werkelijk was. Die dag hadden hulpeloze mannen met touwen en ladders over het ijs op een meertje gelegen. Ze vochten, maar in plaats daarvan iets terug te krijgen, offerden zij een van hun kameraden. Garm had de droeve stoet terug zien keren. De angstige mannen die beseften dat ze niets tegen hun vijand konden doen, de vermagerde vrouwen die van ingezouten bonen leefden en koude leden. Ook waren er kinderen, maar die begrepen niet wat er gebeurd was. Bedrukt door het zwijgen van de ouders schuifelden ze verder. Eén droeg schaatsen voor de borst en een ander pakte lusteloos sneeuw in de handen samen. De kinderen haatten de winter niet. Ze waren blind voor wat de volwassenen zagen. Later zouden ze in een eeuwig sneeuwland gaan wonen. Garm wist toen wat winter was en had de zon en het graan leren waarderen.
Hij schrok op, want de torenklok sloeg. Gedachteloos had hij rondgelopen. Of neen, niet gedachteloos, maar gesloten voor alles wat buiten gebeurde. Er klonk muziek. Overal branden gekleurde lichten. Eén trillende verschuivende laag mensen lag vóór hem. Nauwelijks een week geleden had hij hier ook gestaan, maar toen had de maan haar licht uitgestrooid over het zwarte grachtwater. Alles was toen uitgestorven en nú....! De muziek bleek van een draaiorgel afkomstig te zijn. In de ogen van de orgelman was de oude haat tegen de winter nog te herkennen, maar de vrolijke massa die over het ijs zwierde was alles vergeten. Even leek het alsof Garm zijn haat ook zou laten schieten, maar hij hield stand en veranderde niet van gedachten.
Juist toen hij door wilde lopen werd hij bij een arm gegrepen en meegesleurd. Twee collega's hadden hem herkend en besloten hem in hun vreugde mee te laten delen. Garm staarde echter voor zich uit en sprak eerst na enige aarzeling.
"Zo," vroeg zijn ene begeleider," had je eindelijk ook eens tijd om je te ontspannen?". De ander lachte hartelijk. "Neen," antwoordde Garm, "ik was op weg..." Hij brak af, want waarheen had zijn doelloos zwerven moeten leiden? Dan vervolgde hij snel: "..om de winter te ontvluchten." Ze stonden inmiddels alle drie stil want Garm had geen schaatsen ondergebonden en bewoog zich vrij wankel voort over het ijs. Op hetzelfde moment zag hij een wak, enkele tientallen meters verderop. Met één stap was hij weer op de kade en vluchtte. Het begon te sneeuwen en zijn jas werd langzaamaan bedekt, maar hij zag het niet. Muziek als van een glasharp weerklonk. Koning Winter met zijn lange baard wenkte hem. Engeltjes, stallen, sterren, ijskristallen, alles dwarrelde door zijn geest, maar hij vluchtte.
De sterren doofden, de engeltjes werden duivels vol met rijp. Overal heerste een afschuwelijke duisternis. Vuur, dacht hij steeds weer, het Paasvuur. Nog steeds liep hij, maar de duivels begonnen te steken met hun lansen zodat hij zijn tempo moest verlagen. Het deerde niet, de warmte van het Paasvuur was al voelbaar, ook al zag hij het nog niet. Verder liep hij, steeds verder. De winter bleef echter om hem heen. Hij werd doordrongen van het gloeien. De slaap begon hem te bedwelmen. Steeds verder liep hij door, maar waar hij was wist hij niet meer. Het moest bitter koud zijn om hem heen, hoewel hij slechts warmte voelde. Ondanks de slaap bemerkte hij de hevige pijn in zijn voeten. Toen knielde hij neer en stond niet meer op.


De keuze

Ergens in de stad in het achterhuis, zaten de vader en de moeder aan tafel en spraken met elkaar. Het raam stond op een kier, vermoedelijk uit gewoonte, want er was geen sprake van het binnenlaten van frisse lucht. Af en toe woei met een zwakke windvlaag een mengsel naar binnen dat leek te bestaan uit dieselolie, benzine, chloor en dat nog sterk overheerst werd door de geur als van een totaal verwaarloosde dierentuin. Het uitzicht dat men vanuit het raam had, was bedroevend in de meest letterlijke zin. De overzijde bestond uit een grote façade van opeengestapelde woningen, waarvan de balkons met het verveloze houtwerk, de hopen vuilnis, het natte wasgoed en de ontklede mensen het meest essentiële deel vormden. De geluiden die binnen doordrongen waren afkomstig van diverse soorten voertuigen en geluidsweergevers, alsmede van kinderen en volwassenen die elkaar toeschreeuwden.
De twee mensen in het achterhuis bemerkten niets van dit alles, want ze hadden zorgen. Wat maakte het hen uit of ze op de vierde of de derde verdieping woonden, al naar gelang de telling van de diverse lagen?
"Toch hadden wij het kunnen proberen", verzuchtte de moeder.
"We hebben het geprobeerd", riep de vader geïrriteerd uit. "Wat denk je wel! Dagen, maandenlang achterheen ben ik er geweest. Driemaal opnieuw heb ik een aanvraag ingediend". "Maar", aarzelde de moeder, "een psychejater..."
"Mens, waar heb ik het dan over? Over de spullenbaas? " werd haar toegebeten. "Het duurt eindeloos voor ze zoiets rond hebben".
"Dan is het toch nergens goed voor? Trouwens ik heb gehoord dat sommige mensen meteen zo iemand hebben. En is zo iemand eigenlijk wel eerlijk? Wat zou hij vertellen?" bracht ze er vervolgens in een stortvloed van woorden uit.
Haar man die gespannen als hij was toch weer enig geduld op wist te brengen, legde uit dat sommige mensen de zaak zonder meer konden betalen, maar anderen zoals zij een aanvraag in moesten dienen. "Natuurlijk is het ompraten," ging hij verder, "maar wat wil je anders. Ik begrijp trouwens niet hoe ze ooit op dat idee gekomen zijn. Ze weet toch nog niet wat goed voor d'r is? Rijke lui hebben het maar makkelijk, die laten zo’n vent komen en die leert d'r dan dat ze ongelijk heeft".
"Er zal toch wel iets goeds mee bedoeld zijn" viel de moeder in de rede.
Nog voor ze verder kon gaan begon haar man weer: "Ja, de bevolking groeit minder hard!"
"Nu word je grof en gemeen. Zie je wel, je haat haar en hebt haar nooit gemogen. Je doet alsof het je kind niet is," riep de moeder en barstte in snikken uit.
Nu zweeg de man verschrikt. Hij besefte dat zijn cynische opmerking schade had aangericht.
"We zitten verdraaid moeilijk met het geld", deed hij een poging iets neutraals te zeggen.
Dat dit allerminst lukte bleek wel uit de reactie van zijn vrouw die bleek weggetrokken opkeek van haar armen en hem aanstaarde. "Zie je wel, je haat haar, " was het enige dat ze zei.
Hij begreep dat alles wat hij nu zou zeggen verkeerd uitgelegd zou worden en zei slechts: "Je weet best hoeveel ik om haar geef, ik ben dol op d'r, altijd geweest". Om verder af te wachten wat zijn vrouw zou doen om het gesprek weer op een redelijke manier te voeren.
Na enige tijd deed ze inderdaad een poging. "Ze kan ook anders beslissen," mompelde ze hoopvol. "Net als dat meisje van de overkant, en die jongen van twee straten verder" was het wanhopige antwoord van de man.
"Er worden meer kinderen zestien in een jaar en die komen niet in de krant", verweerde de moeder zich in een helder ogenblik.
"Dat is waar", was de reactie van haar man," maar hebben we al die dingen niet al eens eerder bekeken."
"Ze kàn toch anders kiezen?" probeerde de moeder zichzelf op te beuren, maar ze geloofde er nauwelijks in.
Haar man legde uit waarom: "Kijk jij nou eens rond. Wat zie je hier, wat ruik je hier en let op de herrie! Zou jij ermee doorgaan?"
Het antwoord kwam niet doordat de buurvrouw luid op de deur klopte. Aangezien de deur nog op een kier stond glipte ze meteen naar binnen. Ze trok op passende wijze een somber gezicht maar vroeg zonder enige takt: "Ze wordt zestien hè?"
Bijna was deze vragende mededeling teveel voor de man die zich zo had weten te beheersen. Toch herstelde hij zich, snoot zijn neus en zei kort en droog: "Ja."
De buurvrouw had zeer veel moeite zich in te leven in het voorbarige verdriet van de ouders, aangezien ze zelf nooit kinderen had gehad en zich geen voorstelling kon maken van de liefde van ouders voor hun kinderen. Ze begreep echter wel dat bepaalde opmerkingen die ze in gedachten had, niet bijster welkom zouden zijn.
Haar volgende insinuatie was echter evenmin gelukkig gekozen. "Zou ze niet. . . . . " vroeg ze nieuwsgierig.
"Kijk toch eens om je heen, wat zou jij doen?" vatte de vader de draad van het gesprek weer op. "Ach, het kan ook beter," zei de buurvrouw.
"Je hebt wat om voor te leven dan," vulde de moeder aan terwijl ze wegging om koffie te zetten.
"Je ziet het toch te zwaar. Ze heeft toch ook oudere vriendjes en vriendinnetjes, nou dan!" troostte de buurvrouw.
"Ze hád er méér" was het relativerende antwoord van de man, maar hij besefte dat ze gelijk had. Kalmer dan eerst wiste hij zijn voorhoofd af, dat door de spanning en de hoge temperatuur nat was van het zweet. Somber staarde hij naar de groezelige vlek die uit vocht en roet bestond. Niet ver weg sloeg een klok enkele malen. Sirenes begonnen te loeien, een andere klok sloeg. Uiteindelijk volgde de pendule in de huiskamer.
Op straat stond een meisje, gekleed in een wijde blauwe broek en een bruin jasje van een of andere kunststof. Heur haar was door een spoeling wat roodachtig getint. De make-up die ze droeg was met een beginnende vaardigheid opgebracht. Langzaam maalde ze met haar kaken. Ze dacht diep na en probeerde een besluit te vatten. Het was haar wettelijk toegestaan een keuze te maken, dat had ze begrepen. Daarbij behoefde ze met niemand rekening te houden behalve met zichzelf, maar het was wel de bedoeling dat ze vóór de avond zeker van haar zaak was. Vreemd, ze had er al een jaar lang over gepiekerd en nu in twee uur tijd was het toch nodig om zekerheid te krijgen. Met niemand rekening hoeven te houden. Het was wel zo dat ze vandaag moest besluiten en niet later, want dan zou de wet geen ruimte meer bieden. Nú kon het en de mogelijkheden waren er. Wanneer ze heel goed nadacht dan wist ze wel wat ze wilde. Ze had hoop. De dingen die tot dan toe gebeurd waren, waren beroerd. Ze mocht niets, werd geslagen vriendjes lieten haar stikken. Eigenlijk was er niets leuk, maar juist dáárom was het de moeite waard om door te gaan.
Later in zo'n groot huis, met een heleboel mensen, maar háár huis. Ze zou dan veel mooier zijn. Haar ouders zouden niets meer verbieden en een gebrek aan zakgeld was niet meer mogelijk. Maar als het nou zo bleef? Dat iedereen haar liet stikken en ze geen werk kreeg? Of ze werd ziek en moest bij haar ouders blijven. Verlamd. In de politiek werd je doodgeschoten zei haar vader. In het buitenland, dat wel. Ze aarzelde weer. Traag liep ze naar huis, om zich heen spiedend. De straat was bijna leeg. Ze betastte zich zelf. Haar ouders zouden alleen maar kwaad zijn. Ze begrepen het niet. Misschien ook verdrietig? Plotseling was ze zelf verdrietig. Toen ze voor de ouderlijke woning stond hoorde ze het praten binnen.
"ze zijn zo onzeker op die leeftijd", riep haar vader.
"Op jouw leeftijd zeker niet", schreeuwde haar moeder terug, "wie maakt haar onzeker met dat gezeur over ellende nou?"
"Dus ik was een moordenaar hè?" Meteen klonken gestommel en geluiden van brekend serviesgoed. Kauwend en glimlachend ging ze naar binnen, lichtjes met haar heupen schommelend.
De kamer betredend trok ze een pruillip en stak haar handen in haar zakken waarna ze achteloos uit haar houding wegzakte. Gespannen keken haar ouders haar aan.
"Ik blijf leven", zei ze achteloos en bloosde hevig van schaamte omdat ze dit had moeten zeggen. Ze wreef heftig over haar wangen alsof ze teveel rouge had opgebracht en het nu weer weg wilde vegen.
Haar vader sprong op. "Haal een taart op", beval hij niemand in het bijzonder en vloog zijn dochter om de hals, om vervolgens met haar op de vloer te vallen.
"Hé ouwe zak, houd je een beetje in wil je!" weerde zij verlegen af.
Haar moeder zei niets, stond daar maar.
Eigenlijk was ze echt gelukkig.


De zekerheid

Hoewel Wilhelm zich vroeg op zijn bed had neergevlijd sliep hij niet. Zijn vermoeidheid was zodanig groot dat hij bleef woelen en piekeren zonder de kalmte te kunnen vatten die een goede nachtrust in zou leiden. Flarden van gebeurtenissen van de afgelopen weken kwelden zijn brein en hij was te uitgeput om zich te kunnen verzetten. Een onbehaaglijk gevoel maakte zich van hem meester. Hij was ervan overtuigd dat er een ramp zou plaatsvinden al tastte hij in het duister omtrent de aard van het onheil.
Nadat hij geruime tijd de lichtgevende wijzers van zijn wekker had zien verdraaien, richtte hij zich half op. Een zacht gepiep was hoorbaar, alsof iemand het raam, dat altijd op een kier stond, verder opende. Turend in de duisternis ontwaarde hij een schim die, nadat hij zijn bedverlichting had ingeschakeld, bleek te veranderen in zijn vriendin. Ontsteld door de onverwachte gebeurtenis wist hij niet aan welke van de opkomende emoties hij voorrang moest geven. Het bevreemdde hem dat ze geen woord sprak, en traag in zijn richting liep. Onzeker als hij van de situatie was vroeg hij: "Ben jij het?" De overbodige vraag werd niet beantwoord. Onverwachts zag hij een spiegelend voorwerp in de hand van het meisje. Een mes! Zonder aarzelen sprong hij zijn bed uit, greep de arm die het scherpe voorwerp in zijn richting dreef en drukte zijn vriendin onzacht tegen de grond.
Het gebeurde verwonderde hem niet en woede of verdriet voelde hij evenmin. Het leek alsof hij begrip had voor de situatie. Niettemin draaide hij de arm verder door en dwong de ander in een weerloze houding. Vervolgens duwde hij haar de kamer uit en de trappen af. De telefoon bevond zich op de eerste verdieping, hoewel deze slechts door hem gebruikt werd.
Zijn eerste gedachte was de huisarts te waarschuwen, ondanks het nachtelijke uur. De arts reageerde rustig toen de gebeurtenis hem ter ore kwam. Het idee van een voorlopige opname leek hem aannemelijk, en hij zei toe zo spoedig mogelijk aanwezig te zijn.
De ogenblikken verstreken en op een gegeven moment keek Wilhelm eens om zich heen. In de diverse deuropeningen en boven aan de trap stonden zijn buren. De nachtkleding vertoonde geen buitengewone kenmerken, doch de gezichten gaven een opmerkelijke overeenkomst met wolvenkoppen te zien. De lippen waren teruggetrokken en in de kaken waren de vlijmscherpe tanden zichtbaar, glinsterend van speeksel. Het gegrom dat erbij leek te horen was niet waarneembaar. Een dreigende stilte vervulde het gehele huis.
Op het moment dat de deurbel luidde, opende Wilhelm de deur met behulp van het touw dat langs de trapleuning liep. Zijn vriendin drukte hij onderwijl krachtig tegen een deurpost. "Dokter," waren zijn eerste woorden, "ik geloof dat ik er goed aan deed u te waarschuwen. De omstandigheden hebben zich echter gewijzigd. Waar ik eerst twijfelde aan de geestelijke gesteldheid van mijn vriendin, ben ik er nu van overtuigd dat ík aan een opname toe ben. Mijn normale waarneming is sterk vertroebeld. Dank zij mijn exacte opleiding kan ik echter tot logische gevolgtrekkingen komen die geheel los staan van hetgeen ik om mij heen zie."
Tevreden over de bovenmenselijke beheersing van zijn gevoel en de wijze waarop hij de situatie verstandelijk in de hand hield, wachtte hij zijn huisarts op. Toen hij een wolvenkop boven de eerste trede zag verschijnen verbaasde hij zich niet. De rationele zekerheden waren een houvast. Toch verslapte zijn greep even en op datzelfde ogenblik voelde hij een scherp voorwerp zijn borst binnendringen. Vóór hij het bewustzijn verloor bemerkte hij nog hoe meerdere kaken zijn ledematen omklemden en hoe de tanden zijn lichaam openscheurden. Onder een angstaanjagend gehuil doofde het licht.


Drieluik

A - ik wil geen groentenman worden

Zo in een klein ouderwets winkeltje staan, gedwongen door je omgeving die het vriendelijk van je vind dat je daar blijft verkopen. Ingeklemd tussen de druiventrossen achter je en de bananen vóór je.
De jongedame voor je met aan iedere vinger een ring, fluistert een bestelling die opstijgt tot oneindige hoogten, tot het hoge plafond deze terugslaat.
Zij denkt: Hoe idyllisch tussen de druiventrossen die een lijst vormen. . .
Maar jij voelt slechts de ijzeren haken die in je rug staren.
Terwijl het drukker en drukker wordt hoor je zenuwachtig het gestommel boven aan. Vrouw en kind, die niet mee kunnen helpen doordat er te weinig ruimte is. Vaag gestommel - en jij werkt opdat die geluiden niet verdwenen zullen zijn op een dag. Als dank krijg je thee.
Je zou verliefd kunnen worden op die handen, die ringen, maar je tomaten zijn prozaïsch, houden je gevangen. In het huurhuis weerklinken geluiden van dronkaards en anarchisten die zich losgemaakt hebben van de wereld en ook voor jou een gevaar zijn. Van schrik werk je nog harder. Je wilt in dit leven blijven en vooral geen armoede, al begint de kalk in de vochtige gang af te bladderen. Misschien gaan sommige van de klanten uit vanavond, misschien studeren ze morgen, getallen planten, mensen. Ze zitten misschien in de opera of slapen. Jij zult werken. Tot je dood steeds weer prozaïsche tomaten overhandigen, harde munten aannemen die steeds weer afgepakt worden.
Het gestommel boven houdt aan.
Ik grijp het zakje en vlucht. Vrij. Ik wil geen groenteman worden.


B - Het leven van de vrijgezelle HBS-leraar

Hoewel de nacht bijna is aangebroken, brand achter een paar ramen van de Rijks Hoogere Burgerschool nog licht. Het is een weinig krachtig licht, dat gelijkelijk wordt verdeeld over de verschillende ruiten en niet in staat is te wedijveren met het kleine gebogen lampje, dat de in gouden letters gestelde naam moet verlichten. Het schoolplein is verlaten. Het egale blauw van de nachtelijke hemel stroomt nog over de tegels.
Achter de vensters beweegt iets. De leraar aardrijkskunde, die zich met groot genoegen in de eenzame school aan zijn lessen wijdt, heeft ook nu het gebouw niet verlaten. Een matte glimlach speelt over zijn gelaat als hij voor de zoveelste maal de kaarten uit het rek neemt en door zijn handen laat glijden. De gehéle wereld hangt daar voor hem, in een rek dat in zijn lokaal staat.
Heel vaag weerklinkt gekraak en geschuifel. Langzaam en in gedachten verzonken gaat de leraar van het middelste naar het linker raam, onderwijl de kaart liefkozend. ". . torische ka. . " is boven zijn hoofd zichtbaar, doch deze aanduiding wordt aan het oog onttrokken door het uitrollen van het linnen waarvan de kleuren, de een nog fletser dan de ander, verschijnen.
Hij is tevreden met zijn bestaan, de vrijgezelle HBS-leraar. Hoewel zijn leerlingen ongeïnteresseerd zijn en hem het leven ondraaglijk kunnen maken, wil hij niet ruilen. Niemand begrijpt hem, zeker zijn leerlingen niet, die nooit aardrijkskundeleraar willen worden, daar zij hun klasgenoten ondraaglijk achten. In-tevreden is hij wanneer hij bedenkt hoe hij uiteindelijk bijna bereikt heeft wat hij wil. Bijna, want hoewel hij vroeger wilde reizen, kent hij nu alle kaarten die in de school te vinden zijn en méér. Nagenoeg alle kaarten die hij tijdens zijn studie heeft gezien, kent hij nog evenals de landen heeft hij in gedachten doorkruist. Láter zal hij als nog zijn grote wens in vervulling zien gaan: reizen! Totdat die tijd is aangebroken, zal hij 's avonds kaarten ontrollen, landen door zijn gedachten laten gaan, volkeren leren kennen en steeds boeiender taferelen schilderen voor zijn ngeïnteresseerde leerlingen, die blij zijn dat ze geen HBS-leraar behoeven te worden. 's Morgens zal hij het brood klaarmaken, gedoemd om tussen de proefwerken door te worden verorberd. Steeds weer zal hij de kachel temperen en de gordijnen gesloten laten, omdat het reeds donker zal zijn bij zijn terugkeer. Nochtans beseft niemand hoe dicht hij het geheim genaderd is. Hijzelf misschien evenmin. Soms, heel zelden, begrijpt hij dat hij een uitverkorene is. Misschien ook nu, terwijl hij zich over zijn werk buigt.
Dan verlaat hij het lokaal, zonder het licht te doven. Slechts weinige ogenblikken zal hij in de gelige, betegelde gang vertoeven, alvorens het wit van de glazen ballonnen weer boven zich te dulden. Buiten wordt de nacht zwart, het schoolplein is donker. Drie gele rechthoeken blijven, evenals de verlichte gouden letters "Rijks Hoogere Burgerschool". Ook de leraar blijft. De terugreis is nog niet voltooid. Morgen zullen collega's hem groeten en hoofdschuddend verdergaan. Zelfs de biologieleraar en de leraar geschiedenis, want zij kennen zijn geheim niet.
En de leerlingen? De leerlingen zullen hem treiteren en denken: Hoe houdt hij het vol, deze afschuwelijke school, deze Rijks-HBS?


C - Het leven van een tractorbandenhandelaar is niet ondraaglijk

Het leven van een tractorbandenhandelaar is minder ondraaglijk aan het lijkt. Vaak staan kinderen met een mengeling van ontzag en angst op het erfje waar de kolossen gestapeld liggen en tegen de muur leunen. Ergens héél diep onder alle ontzag, voelen ze dat ze nooit handelaar in tractorbanden willen worden. En de handelaar die ’s avond met een petrolielamp zijn waren controleert en sorteert, hoopt vaag op een groot bedrijf, met overdekking en glaswanden. Dan zullen de bevroren slootjes en besneeuwde knotwilgen buiten zijn, niet meer zijn directe metgezellen. Vergeten zal hij echter niet, want er is geen glázen muur, denkt hij, maar er is een múúr. Nu loopt hij nog armenkloppend en handenblazend over het erf, als een boer die aarzelend profeet van de techniek is geworden. Het schemert zwaar en de schoolkinderen zijn naar huis. Het werk is niet eenvoudig en de omstandigheden zijn bar, maar ontevreden is hij niet. De banden, soms groter dan hij, zijn vrienden - of nee - beschermers. Hij is meer dan de grote garagehouder in het dorp verderop, want zijn banden zijn immers zoveel groter. Als zijn wensen vervuld worden, zal hij niets meer zijn. Samen met zijn kameraden, de banden, gevangen in een immense hal, die verbonden sluit met bezoekers die hij niet kent. En thuis vertellen de kinderen dat ze geen handelaar in tractorbanden willen worden. Vóór hij het schuurtje op het erf verlaat, tekent hij nog enige noestige getallen op groezelig papier, bijgestaan door het vettige licht van de petrolielamp die op een vat rust.
Van de zomer zal hij weer vissen in de smalle slootjes, achter de groene weiden, of in het meer dat zo uitgestrekt is als zijn toekomst.

ACHTERGRONDINFORMATIE

Hoewel dit soort teksten normaal in een inleiding of voorwoord staan, kies ik ervoor om pas aan het eind nadere uitleg te geven – voor de liefhebbers. Ik houd er zelf niet van om door vele pagina’s irrelevante tekst te moeten bladeren alvorens het eerste verhaal of begin van een roman te vinden is. Enige toelichting aan het eind, zoals sommige boeken bieden, waardeer ik wel en vandaar dat ik het hier zelf ook zo aanpak.


De verhalen en hun geschiedenis
Een carrière als schrijver heb ik niet echt gehad, tenminste niet op het gebied van de fictie. Op een gegeven moment ontdekte ik dat ik mij beter op non-fictie kon richten en heb diverse boeken en een groot aantal artikelen gepubliceerd. Om nog maar te zwijgen van andere pakken papier. Geen van alle dragen ze overigens de naam Charles Warter – een alter-ego dat ik reserveer voor beeldende kunst en mijn vroegere geschriften.
Hoewel ik wel degelijk uitgevers heb aangeschreven, werd mijn werk niet geaccepteerd en na een tijdje begreep ik ook wel waarom. Mijn taalgebruik was (en is tot op zekere hoogte nog steeds) archaïsch en soms zelfs Germanistisch. In deze versie heb ik de antiekste formuleringen wat opgefrist, maar het zijn niet meer dan kleine reparaties. Op zich zijn de verhalen trouwens best leesbaar. Verder ben ik een persoon die in beelden denkt. Dat gaf een wat moeizame relatie met het geschreven woord. De afgelopen vierenveertig jaar (ik ben nu zestig) heb ik mij intensief beziggehouden met beeldende kunst en de naam Charles Warter is daar dan ook voornamelijk aan verbonden.
Kijkend naar de jaartallen is meteen duidelijk dat er veertig jaar zit tussen moment van schrijven en de datum van publicatie van deze versie. Het is echter niet zo dat er intussen niets is gebeurd. Ik bleef schrijven tot ongeveer mijn dertigste, dus 1987. Daarna publiceerde ik wel verhalen op fora, maar daar leken de leden elkaar te kennen en lazen ze ook alleen elkaars werk.
Een jaar of vijftien (1995) geleden selecteerde ik een roman, een paar novelles, een toneelstuk en de wat modernere, vlottere verhalen en bundelde ze in één band. Die verzamelband is nog steeds beschikbaar (gratis als pdf) onder de naam “Angst en Verraad”. Mijn oudste zoon Tim deed de redactie en controleerde minutieus spelling, grammatica, punten, komma’s en spaties.
De andere verhalen had ik in papieren vorm wel uitgedeeld aan familie, vrienden en bekenden, maar ik vergat ze eigenlijk. Ze waren oorspronkelijk handgeschreven en uitgetypt. De originelen waren bij een lekkage verloren gegaan en ik dacht dat de andere versies verloren waren gegaan. Vervolgens richtte ik bij de komst van het Internet een website in (www.charles-warter.com) en publiceerde daar naast mijn beeldende werk ook wat gedichten, verhalen, novelles en romans. Later verwijderde ik ze weer en bood alleen de bundel “Angst en Verraad” als pdf aan.
Vorig jaar rommelde ik in één van mijn laden en vond tot mijn verbazing een stapel papieren verhalen. Toen werd me duidelijk dat niet al die verhalen waren vergeten omdat ze buiten de selectie waren gevallen. Er waren inderdaad afgekeurde verhalen, maar ook verhalen die ik eerder had gebundeld onder de titel “Flarden”. Ik weet wel dat ik één verhaal uit de stapel opnam in de bundel “Angst en Verraad”. Niet als onderdeel, maar als illustratie van de verhalen die waren afgevallen. De titel was Het verlies en het is hieronder nogmaals te vinden (wellicht een iets andere versie). Op dat moment was ik mij al niet meer bewust van de tweedeling in “afgekeurd” en “in beperkte kring verspreid” (de bundel “Flarden”). De derde categorie bestond uit gelegenheidsverhalen. Daar waren nog twee van terug te vinden in het pak papier. De rest is vrijwel zeker verloren gegaan. Een vierde categorie bestond overigens uit gedichten, die wellicht ergens in een doos te vinden zijn, maar die ik nu niet meer bij de hand heb. Misschien voeg ik ze ooit nog toe.
Hoe zijn de (fotokopieën van) uitgetypte vellen nu op Internet terecht gekomen? Wel, mijn oudste zoon Tim heeft het ook dit keer weer mogelijk gemaakt. Hij scande alle papieren in, paste vervolgens OCR (Optical Character Recognition) toe en corrigeerde onleesbare, dan wel fout geïnterpreteerde delen en zette alles in kale tekstbestanden. Een echt monnikenwerk! Hij doopte het geheel “Project Trivitsjenski” naar de hoofdpersoon uit het belangrijkste onderdeel van de bundel “Angst en Verraad": de roman “Vijandige Verstarring”.
Vervolgens voegde ik alles samen in Word, corrigeerde de interpunctie en spelling (die was dan wel niet van het “sosjalistiese” type, maar ook niet de “voorkeursspelling” van destijds). Kommunikatie werd weer communicatie etc. Verder paste ik ook antieke uitdrukkingen aan, zodat er bv. minder keren “nochtans” zal worden aangetroffen.
Uiteindelijk resteert er een verzameling van verhalen die niet voor publicatie waren bestemd. Waarom? Wel, ik bepaalde destijds in feite wat wel en niet publicabel was, maar in werkelijkheid beslist de lezer! Die stemt uiteindelijk “met de voeten” dus wie ben ik om een deel weg te laten? De oude tweedeling is nog wel gehandhaafd, al moet ik eerlijk bekennen dat ik niet van ieder verhaal honderd procent zeker weet of het onderdeel uitmaakte van “ Flarden” of niet. Sommige verhalen horen bij elkaar, maar lijken toch te zijn gesplitst over de twee groepen.
Sommige van de verhalen droegen een duidelijk jaartal. Of dat de exacte datum van schrijven was of de datum van uittypen weet ik niet zeker. Vermoedelijk werden de exact gedateerde verhalen direct uitgetypt. Bij de andere kan ik alleen een periode vermelden.
Om meer houvast te geven ten aanzien van de chronologie, geef ik hier wat achtergrondinformatie. Die zal grotendeels ook te vinden zijn in de toelichting die ik bij “Angst en Verraad” schreef, maar hier is het meer gericht op de periode waarin deze verhalen tot stand kwamen.

Het begin
Mijn schrijven begon, zoals vermoedelijk bij vrijwel iedereen, pas echt op de middelbare school. Natuurlijk schreef ik op de basisschool (toen lagere school) ook wel verhaaltjes (de “en toen”, “en toen”, “en toen” stijl werd ons zorgvuldig afgeleerd). In de opstellen probeerde ik maatschappijkritische thema’s te behandelen, zoals het proletariaat of gebruik van drugs. Dit leverde soms matige, soms slechte cijfers op. Ik herinner me dat experimenten, zoals twee verhaallijnen die elkaar licht raakten in het kader van een opstel, werden niet gewaardeerd. Schrijven was aan strikte regels gebonden en daar hield ik niet van. Toch hebben de lessen Nederlandse taal me zeker geholpen om de beelden die ik in mijn hoofd had naar buiten te brengen. De lessen Tekenen en Schilderen deden dat echter nog meer.
Mijn eerste spontane verhaal - dat dus niet naar aanleiding van een schoolopdracht was – heette “de Freak”. Het was een kort toneelstukje dat ik voor een speciale gelegenheid schreef. Een vriend van me was lid van een Christelijke jeugdclub en wilde mij een keer meenemen als afschrikwekkend voorbeeld van iemand die zich in het alternatieve milieu begaf, waar ook drugs(!) werden gebruikt. Bontjasje, lange haren, grote ketting om en zware laarzen, dat was mijn outfit destijds (al droeg ik op andere dagen weer een kostuum met stropdas, iets wat ik nog steeds wel doe zij het nu zonder stropdas). Ik wilde het spel meespelen en schreef een soort scenario voor het bezoek, dat ik daarna uitwerkte tot een toneelstukje. Dit moet zich hebben afgespeeld rond 1973. Daarna kwam er nog een toneelstukje, over een natuurwetenschapper en een journalist. De wetenschapper gaat daarin dood omdat er een giftig gas ontsnapt waarvan hij weet hoe dodelijk het is. De journalist ontbeert deze kennis en heeft daardoor nergens last van. Vervolgens ging ik op de wat zwaardere toer met “de Mysteriezoeker”. In oorsprong was dat ook een toneelstuk, maar werd later een novelle geloof ik. Alleen de eerste scène staat me nog bij. Er loopt een oude man met een zandloper (vadertje tijd) over het toneel, langs een soort hoogspanningsmast. Hij struikelt en de zandloper breekt. Een scherf krast langs een poot van de hoogspanningsmast. Het staal scheurt vervolgens en de mast valt om. Dan oreert de oude man (het geheel symboliseert de betrekkelijkheid van de techniek gezien in het kader van de eeuwigheid).


Chronologie
In 1975 vertrok ik van Zwolle naar Amsterdam om daar te gaan studeren. De universiteit was veel smaller en schoolser dan ik had verwacht en ik zat op een klein kamertje waar ik me gevangen voelde. Ik probeerde te schilderen, maar mijn techniek was nog niet voldoende ontwikkeld (tekenen kon ik wel goed). Ik bezocht musea en leerde veel. Vermoedelijk schreef ik daar de eerste delen van wat later “Vijandige Verstarring” zou worden en waarin ik met terugwerkende kracht de naam “Trivitsjenski” invoegde.
Al snel bereikte mij het bericht dat mijn moeder ongeneeslijk ziek was. Ze overleed begin 1976. Hoewel ik mijn propedeuse wel behaalde en verder ging in het tweede jaar besloot ik te stoppen, terug te keren naar Zwolle om daar wat later te gaan werken. Dat was eind 1976. Mijn vader ging echter hertrouwen en de huur van mijn “ouderlijke woning” werd opgezegd. Hoewel ik een tijd logeerde in het nieuwe huis, dat van mijn tweede moeder was, vertrok ik al vrij snel weer. De oude situatie bestond niet meer en mijn vader had een nieuw leven.
Ik sliep in het leeggehaalde huis in Zwolle onder wat oude gordijnen en jassen die waren achtergebleven, at de laatste voorraad knäckebröd en sardientjes en rookte tabak die ik uit peuken haalde. Ondertussen was ik er op zoek naar een kamer, wat niet meeviel. Per 1 januari 1977 zou het huis niet meer toegankelijk zijn. Het klinkt wellicht romantisch, maar was een deprimerende tijd omdat er geen uitzicht was op een beter bestaan.
Bij het licht van straatlantaarns en de maan (er waren geen lampen meer), schreef ik met een potlood op oude boterhamzakjes, stukken kaftpapier en verpakkingen mijn eerste korte verhalen. Ze waren sterk beïnvloed door Franz Kafka, van wie ik heel veel had gelezen (in het Duits – ik las eigenlijk alleen maar Duitse romans, toneelstukken en gedichten en dichtte zelf ook in het Duits). Analoog aan de hoofdpersonen K. in Kafka’s boeken, voerde ik “L.“ op – naar de eerste letter van mijn eigen naam (die niet Charles Warter is, zoals wel duidelijk zal zijn). We hebben het dan over De ontdekking, Vervreemding en Vreugde.

Toen ik eind december 1976 een kamer vond kon ik er nog niet meteen in. De garage werd nog een maand langer aangehouden dan het huis, zodat ik mijn spullen daar kon bewaren. De kamer was namelijk maar een paar kilometer verderop. We woonden eerst in de straat Biesbosch in de Aa-landen en mijn kamer was in de Wilhelminastraat achter de Veerallee – beide in Zwolle). Vrienden hielpen me rond Nieuwjaar met verhuizen. Toen we het “café-restaurant” van mijn huisbaas uitrustten (het was zogenaamd alleen voor bewoners, maar in feite een illegale Horecagelegenheid) schrokken ze van de nogal duistere, criminele sfeer. Ze vroegen hoe ik in zo’n omgeving durfde te wonen (achteraf viel het wel mee - er woonden gewoon veel mensen die niet helemaal in de maatschappij pasten). Ik zei voor de grap dat ik me ook niet onder mijn eigen naam in dat milieu begaf. Toen ze vroegen onder welke naam dan, moest ik heel snel met iets komen. Ik dacht aan “Triviaal” en gezien mijn belangstelling voor Tsjechië wilde ik er een c-haček (č) in zetten en dus werd het Trivičenski. De uitgang “ski” is overigens eerder Pools. Vanwege de typmachines werd het later gewoon Trivitsjenski (grappig dan Johannes Huss de haček juist uitvond om compacter te kunnen drukken: één teken in plaats van drie. Dat geldt ook voor de š die de Duitse sch-klank samenvat, maar dat terzijde). Het werd uiteindelijk de naam van een hoofdpersoon en niet mijn pseudoniem.
De omstandigheden werden niet veel vrolijker. Ik vond werk op een kippenfabriek (Friki) in Wezep. Eerst met mijn brommertje (dat had ik nog) een kilometer of tien door de kou ploeteren, om vervolgens in een zwaar gekoelde hal diepgevroren kippen te verwerken.
In die periode kwamen nog andere sombere verhalen tot stand, zoals Eenzaamheid uit de bundel “Flarden” en vermoedelijk ook Isoleer. Ik schreef in die periode ook gedichten, die hoogstwaarschijnlijk echt niet meer te achterhalen zijn.
Aan het eind van de eerste week kreeg ik nog geen geld. Het uitzendbureau betaalde een week later pas uit. Daardoor had ik geen eten meer, want al mijn geld was opgegaan aan huur, borg en benzine. Ik nam wat achtergelaten brood mee en kreeg een zak witte rijst. Daar overleefde ik op. Ik had zelfs geen kwartje voor de telefooncel!
Gelukkig duurde de periode in de kippenfabriek kort. Ik ging naar een ander uitzendbureau, dat een baan voor me had bij de AMRO-assurantiecentrale. Dat was een veel fijnere tijd en het kantoor was op loopafstand. Mijn liefde voor de financiële sector – die tijdens de crisis is blijven bestaan – is daar opgebloeid. Ik kocht een radiootje, een versterker, LP’s, een wasmachine, kleren en werd lid van een kunstenaarsvereniging (Artibron). De verhalen werder wat vrolijker, zoals De verlossing, Het Gezicht, De trek en Het kunstwerk. In de tweede helft van het jaar (eind augustus 1977) vertrok ik naar Groningen om daar mijn studie biochemie weer op te pakken (maar daarna keerde ik toch weer terug naar de financiën en uiteindelijk naar de financiële sector). Ik woonde als gevolg van de woningnood in de stad in Hoogezand. De vrolijke tijden van de AMRO-bank waren voorbij. Ik schreef
Opschudding, De Wens, De Twijfel, Ontwerp voor een stadsopvoering.
Wat later verhuisde ik naar Lageland (gemeente Slochteren) waar Een Heerser, Een klein Afscheid en Monument voor Oom Arie tot stand kwamen. De verhalen geven stemmingen weer, maar zijn over het algemeen geen weerslag van mijn dagelijks leven. Het zijn eerder droomwerelden, maar soms wel vertalingen van hoe ik mij voelde naar een kunstmatige wereld, waarin de problemen die ik ondervond waren vertaald naar andere. De verhalen van de bundel “Flarden” lopen er in chronologische volgorde doorheen. Ironisch genoeg zijn juist die verhalen niet meer goed te dateren.

Latere periode Nadat ik samen met mijn vriendin in de stad Groningen ging wonen, met haar trouwde, ging werken en onze drie kinderen werden geboren schreef ik nog wel, maar steeds minder. De meeste werken uit die periode staan in de bundel “Angst en Verraad” en wat ik daarna heb geschreven is verloren gegaan. Ik richtte me vanaf dan moment eigenlijk alleen nog op beeldende kunst, waardoor ik als schrijver helemáál niet meer serieus werd genomen.
Ik herinner me dat ik in de jaren negentig werkte aan een novelle of roman genaamd Traploos bestaan. Die stond helemaal in het teken van yuppies en de nieuwe zakelijke maatschappij. Ik weet nog wel dat ik er de “Rista’s” in opvoerde – een afkorting van “Rising Stars”. Mensen die het in de ogen van het bedrijfsleven helemaal hadden gemaakt. De hoofdpersoon is een mislukte Rista en deze mislukking vertaalt zich in een letterlijke angst voor trappen. Hij heeft een trappenfobie en in feite ook een burn-out. Het staat me nog bij dat hij ’s nachts een hallucinatie heeft over een trommelende monnik die in zijn kamer zit.
Al met al is deze serie verhalen dus geschreven tussen ruwweg mijn negentiende en vijfentwintigste levensjaar. Daarna besloot ik mijn stijl drastisch te herzien en kwamen de geheel andere, latere verhalen tot stand zoals ze te vinden zijn in “Angst en Verraad”, zoals Het uitbannen van defecten of De steen.


Charles Warter 2018